Die moet nog heel wat leren…


De (aankomende) huispuber ging gistermiddag voor ‘t eerst alleen (met vriendin) naar de film. Ze werden weggebracht en opgehaald maar voor de rest waren ze ‘on their own’

Ik had ze geld meegegeven voor popcorn maar ze kochten een zak snoep. Dat vond ik niet leuk (en er volgde represailles) maar verder gingen het heel goed en ook achteraf heb ik geen klachten van de bioscoop gekregen. (Voor de zekerheid net nog even op nu.nl gekeken maar geen berichten a la: “Tieners zonder toezicht slopen alle stoelen in zaal acht en slaan suppost neer”.) Missie geslaagd dus. Ze worden echt groot, die meiden. En ze gaan buiten mijn blikveld opereren.

Eenmaal thuis gingen de sms’jes op en neer. Vriendinnetje M. heeft sinds kort ook een mobiel en ineens heeft Liz de lol van het elkaar onzinberichten sturen ontdekt. Een beetje stiekem, dat wel. Loopt ze naar haar kamer, of gaat in de gang staan. Denkt ze zeker dat ik het niet door heb.

Gisteravond, toen ik expliciet had gezegd dat ze moest gaan slapen, zag ik onder een grote dekbedbobbel, een klein ledlampje branden.
“Lekker gaan slapen, hè, Liz?” zei ik zoet.
“Ja mammie.”
Ondertussen hoorde ik almaar ‘pling pling’ (weliswaar gedempt door dekbed maar toch, duidelijk hoorbaar).
Ik wilde er niet iets van gaan zeggen toen het ophield.

“Zo Liz,” zei ik de volgende ochtend. “Lekker geslapen?”
Het blonde hoofd knikte onschuldig.
“Maar even over het stiekem sms’en vanonder het dekbed,” zei ik, terwijl ik probeerde heel streng te kijken.
Geschrokken blik. Benepen “Ja?”
“Als je niet wil dat ik dat doorheb moet je wel even het geluid van je telefoon afzetten.”

Advertisements

Rugpijn


Met mijn hand op mijn rug strompel ik het kantoor binnen.

“Zo,” zegt mijn broer, “gaat ‘t?”
Ik schud mijn hoofd en ga met een van pijn vertrokken gezicht achter mijn bureau zitten.
“Ik heb ongelooflijk pijn in mijn rug,” zeg ik.
“Heb je een verkeerde beweging gemaakt?” Mijn broer kijkt me bezorgd aan terwijl hij een kop koffie voor me inschenkt.
Ik schud wederom mijn hoofd en leg uit dat ik een nieuwe hobby heb. Eentje waarbij ik te lang krom heb gestaan heb. Vooróver gebogen krom wel te verstaan.
“Nou ja, hóbby,” zeg ik. “Het is meer een soort verslaving.”

Mijn broer is reuze benieuwd wat die nieuwe hobby/verslaving is, waardoor ik nu niet meer rechtop kan staan.

Jullie ook? Raad maar. En nee, het heeft niets met seks te maken (ik zal jullie even voor zijn) en ik was niet naakt tijdens het uitoefenen van mijn nieuwe hobby (dit naar aanleiding van de foto).

Bataviastad

Winkelen met een man gaat altijd in fasen.

De eerste fase wordt doorgaans ingeluid door gemopper. “Ik heb helemaal geen normale kleren meer.” (Mannelijk equivalent van het vrouwelijke: “Ik heb niets om aan te trekken.”) En waar dames op dit moment direct aan winkelen denken gaan de heren in ontkenning.

De volgende fase is die van het uitlokken. “Ik heb gaten in mijn schoenen.” En: “Deze broek kan ik écht niet meer aan.” Hij gaat net zo lang door tot je er wel op in móet haken. “Dan moet je die broek weggooien en een nieuwe kopen.” Spijkers met koppen worden er niet geslagen. Zodra hij het woord ‘kopen’ hoort, haakt hij af.

Vervolgens breekt de derde fase aan. Jij bent het zat. Al weken hoor je hem mopperen over het sokkentekort, onderbroekengemis en schoenendilemma. Gewoon voorstellen om de stad in te gaan doe je niet meer. Dat is te vrijblijvend. Hij wil gewoon dat jíj beslist. Zijn gemopper is een kreet om hulp.

Tijdens de vierde fase deel je hem mede dat jullie kleren gaan kopen. Noem het nooit ‘winkelen’ want voor dat woord zijn mannen allergisch. Een shopafspraak is een delicate kwestie. Bij de verkeerde woordkeuze rent hij weg. Het helpt om oppas voor de kinderen te regelen en de middag te presenteren als een ‘dagje samen’.

Fase vijf breekt aan. Je loopt nu in een winkelstraat (of in Bataviastad, zoals wij gisteren) mét man. Nu moet je alert zijn; je hebt beperkt de tijd. Maak niet de fout voor jezelf te gaan kijken want dan raakt hij in de war. Sta gewoon hem met raad en daad ter zijde. Bedenk dat dit voor hem óók niet makkelijk is. Zie het als therapie.

De één na laatste fase, fase zes, is de gevaarlijkste. Hij is het zat. Je herkent fase zes aan opmerkingen als: “Eigenlijk heb ik nog wel genoeg broeken.” En: “Sokken koop ik wel een andere keer.” Als je geluk hebt, heeft hij het grootste deel van de benodigde spullen gekocht. Is dat nog niet zo, dan kan je hem een beetje pushen. “Nog even de schoenenwinkel en dan gaan we naar huis.”

En tenslotte fase zeven. Hij raakt in paniek. Hij wil naar huis. In deze fase geef je hem een compliment. “Goed gedaan schat, we hebben veel gekocht!” Het is verleidelijk om op dit punt te gaan mopperen over het feit dat hij geen geduld meer had voor nieuwe schoenen, maar als je dat doet, zal hij de volgende winkelexpeditie nóg langer uitstellen.

Accepteer dus maar gewoon de cirkel en geniet de komende dagen van een relatieve rust. Over niet al te lange tijd begint fase één weer. Hij heeft namelijk nog steeds geen nieuwe schoenen.

Pokkels

Paul is met Lizzy in bad geweest.

“Ze zit onder de pukkels. Zou ze allergisch zijn?”
“Hm. Laat eens kijken, Liz?”
“Dat zijn geen pukkels. Dat zijn waterpokken.”

(…)

“Annabel ik heb de waterpokkels!”
“Ik heeft óók waterpokkels.”
(Teleurgesteld) “Heeft Annabel ze óók?!”
“Nee hoor. Nóg niet.”

(…)

“Moeten we daar wat aan doen?”
“Neuh, ze gaan vanzelf weg.”

(…)

“Mamma, als de pokkels weggaan hè?”
“Ja?”
“Waar gaan ze dan naar toe?”