Oor-Bel


Het weekend stond in het teken van de vier V’s: Voetbal, Verjaardag en Vertellen over Vrijdag.

In dat (middelste) kader togen we op zaterdag al naar de juwelier om gaatjes in Bells oren te laten schieten. Cadeautje voor haar zevende verjaardag. Zo gepiept en ze reageerde een stuk relaxter dan haar zus destijds, zelfs toen het schietapparaat bleef hangen en er enorm geprutst moest worden om het achterkantje goed vast te krijgen.

Zondag – op de ‘familie’ verjaardagdag – liep de kleine Klets heel stoer en groot door het huis: compleet hyper op haar nieuwe roze all stars en met échte oorbellen in. Gelukkig was het best mooi weer kon er heerlijk in de tuin gespeeld worden, mét de hoepels en de hangmat. Alleen bleek hangmat niet bepaald (oor)belvriendelijk: binnen vijf minuten was de Klets één knopje kwijt.

Lizzy vond de oorbel terug, maar niet het achterkantje. Naarstig werd er gezocht naar een vervangend achterkantje terwijl we ondertussen probeerden het knopje weer in Annabel haar oor te krijgen (wat nog helemaal niet meeviel, eigenlijk zijn oorlellen helemaal niet zo flexibel!). Uiteindelijk zat alles weer op zijn plek en kon er weer gespeeld worden. “Doe een beetje voorzichtig,” zei ik nog.

Tegen dovemans oren natuurlijk, want we waren nog geen uur verder of de oorbel lag er weer uit. En dit keer kregen we hem er helemaal niet meer in. Het zweet stond inmiddels op mijn voorhoofd en Annabel was in tranen (pijnlijk!) toen de buurvrouw bedacht dat we het knopje er misschien van achteren door moesten steken. Dat lukte, maar toen mocht de bel er van Bel niet meer uit. We knepen het achterkantje met een tangetje stevig dicht en verzekerden de freule dat het heus, nee écht niet, raar was dat ze nu één oorbel achterstevoren in had.

Vannacht om twee uur werd ik wakker van een kleine gil. Annabel zat rechtop in haar bed met een knuffel (eend) aan haar oor. “Ik zit vast!” riep ze boos. “Ik zit vast aan Eend!”
Voorzichtig peuterde ik (slaapdronken en in het donker) Eend van mijn dochters oor. Daarna gooide ik alle knuffels uit bed. Better safe than sorry. Ik sliep die nacht verder niet heel goed, ik droomde over (oor) bellen en alles wat daarmee mis kon gaan.

Had ik nou toch maar gewoon playmobil gegeven…

Zinloos geweld

Ik ben geschokt. Werkelijk geschokt.

Het was donker toen ik naar huis reed. Niet echt warm meer, maar nog wel lekker. Ik had gewinkeld. En daarna had ik een rosétje gedronken met vriendin C. Ik reed langs het water. Op een bankje, vlak bij de waterkant, hing een stel jongeren, type ‘me and the homies’. Eén van hen had een grote steen in zijn hand. “Wat gaat hij nou doen?” dacht ik nog. Met de steen in zijn hand liep hij naar de waterkant; daar zat een nietsvermoedende fuut. De jongen hief zijn hand op en zeilde de steen in de richting van het fuutje. Hij gooide raak. Het beestje kwam niet meer boven.

Mijn verontwaardigde kreet schalmde door de nacht.

“Klootzak!”

MeDobbels

Zat ik vanmorgen toch wéér in het zwembad!

Dit keer met Annabel. Voor haar eerste echte ‘zwemles’. Dat vond die kleine trekpop wel mooi! Haar zus daarentegen was minder blij. Waarom mocht zij het water niet in? Om de gemoederen wat tot bedaren te brengen, deed ik hen een voorstel. We zouden ’s avonds naar de McDonalds gaan. Als beide dames zich overdag zouden gedragen.

Aldus reed ik tegen zessen het grote parkeerterrein op. “Is dat de MeDobbels?” vroeg Lizzy. Ze wees op de felgekleurde speeltoestellen. Ik knikte. “Maar eerst even bestellen.” Even. Niet even dus. Opstellen in rijen van vier. En zie dan AD en HD maar eens bij je in de buurt te houden.

Een goed half uur later plofte Unhappy Mom met twee Happy Meals in een stoel. Zonder Happy Kids; die hadden zich inmiddels in de één of andere pvc-buis verschanst. Ik at een frietje. En nog een. Ik nam een slokje fristi. Af en toe wapperde Liz voorbij, gevolgd door een hobbelend Belletje. Ik nam een stukje van de hamburger.

Drie kwartier later zaten we weer in de auto. “Vonden jullie het leuk?” riep ik richting de achterbank. “Ja,” luidde het antwoord. “Heel leuk! Maar nu heb ik wel honger!”

Honger?

Hoe kon dat nou?

Burp.