Rugpijn


Met mijn hand op mijn rug strompel ik het kantoor binnen.

“Zo,” zegt mijn broer, “gaat ‘t?”
Ik schud mijn hoofd en ga met een van pijn vertrokken gezicht achter mijn bureau zitten.
“Ik heb ongelooflijk pijn in mijn rug,” zeg ik.
“Heb je een verkeerde beweging gemaakt?” Mijn broer kijkt me bezorgd aan terwijl hij een kop koffie voor me inschenkt.
Ik schud wederom mijn hoofd en leg uit dat ik een nieuwe hobby heb. Eentje waarbij ik te lang krom heb gestaan heb. Vooróver gebogen krom wel te verstaan.
“Nou ja, hóbby,” zeg ik. “Het is meer een soort verslaving.”

Mijn broer is reuze benieuwd wat die nieuwe hobby/verslaving is, waardoor ik nu niet meer rechtop kan staan.

Jullie ook? Raad maar. En nee, het heeft niets met seks te maken (ik zal jullie even voor zijn) en ik was niet naakt tijdens het uitoefenen van mijn nieuwe hobby (dit naar aanleiding van de foto).

Het medaillon

Het is alweer ruim een jaar geleden dat mijn oma overleed.

“Mag ik haar medaillon,” had ik destijds gevraagd. “Dat zilveren, met die Franse versiering.” Dat medaillon, dat was heel erg oma. Vroeger maakte ze het altijd voor ons open, zodat mijn broertje en ik erin konden kijken. Open en dicht. Het maakte een heel bijzonder geluid. Iets tussen klik, krak en plok in. “Alsof je een stukje chocolade van een reep afbreekt,” zeiden mijn broer en ik.

Mijn moeder en mijn tante wisten eigenlijk niet zo goed wat ik bedoelde. Medaillon? Had ze een medaillon dan? Blijkbaar was het medaillon vooral fascinerend geweest voor de kleinkinderen. En nu wist niemand meer waar het was gebleven.

Een paar dagen geleden kwam het medaillon, tot mijn grote vreugde, boven water. Mijn moeder had het gevonden. Het had in een doosje gezeten. En dat doosje zat in een laatje van een kistje. Dat kistje stond in een kast en die kast was een troep. Zo gaat dat.

“Het is een vies ding hoor,” zei mijn moeder. “Maar als je nog wilt, dan mag je het hebben.” En vies was het. Bijna zwart. Plakkerig van het vuil en met een kapot kettinkje. Ik maakte een badje van sodawater met aluminium en poetste met zilverpoets. Ik verving het kettinkje.

Vóór ik het omhing deed ik er twee foto’s in. De haarlok van mijn moeder – die er al in had gezeten – stopte ik achter Lizzy’s foto.

De Kletsen vinden het medaillon fascinerend. Steeds weer moet het open en dicht. Net als vroeger. “Het maakt zo’n grappig geluid als je dicht klikt,” zei Lizzy vanochtend. “Ja hè,” knikte ik. “Net of je een stukje chocolade van een reep afbreekt.” De Kletsen knikten instemmend. Precies. Zo klonk het.

Oma, mijn moeder, ik en mijn dochters. Vier generaties samen in één zilveren medaillon.

Mooi hè?

Rapunzel

Ik was zesentwintig toen ik (een groot deel van) mijn wilde haren verloor. Letterlijk.

Een periode van samenwonen was voorbij, ik ging mijn huis verbouwen en, nou ja, mijn lange haar afknippen leek me wel passend. Dat stond ook in de tijdschriften. “Je lange haar afknippen is een daad van verzet; je bent niet langer ‘iemands kleine meisje’.” Heerlijk, die Cosmo-wijsheid!

Afijn. Tien jaar lang (inderdaad, ik ben (nog elf dagen) zesendertig) droeg ik mijn haar net boven mijn schouders. Met een uitschieter naar iets langer (na de bevallingen) en flink korter (in de zomer). De kleur varieerde van rossig (geen succes; ‘Hé Es, zijn je luizen ongesteld?’) tot hoogblond. Lekker ordi.

En toen was er het moment waarop ik tegen de kapper zei: “Graag in model knippen maar niet teveel van de lengte af.” Ik had ’s ochtends meer tijd, dus ik kon af en toe wat föhnen. En warempel ik vond dat langere haar eigenlijk best wel leuk! Een tijdje zag niemand iets. Tot een maand of wat geleden. Toen begon het op te vallen.

En nu ben ik aan het ‘sparen’. Voor lange lokken. Net als Lizzy. (Af en toe maken we er een wedstrijdje van. Dan pakken we het meetlint.) En hoe langer het wordt, hoe mooier ik het vind. Maar ik word ook onzeker. Ben ik niet ‘te oud’ voor zo’n barbiekapsel? Staat het me wel? Keer op keer vraag ik de mening van vriendinnen. En natuurlijk van Paul. Die laatste is nou niet bepaald een ‘harenman’. Hij houdt nogal van ‘stoer’ en dat is dit natuurlijk niet.

Vanmorgen vroeg ik het weer. “Schat, wat vind je nou eigenlijk van mijn haar? Is het niet niet te lang?” “Nee hoor,” zei hij, terwijl hij zijn blik strak op de krant gericht hield. “Je kijkt niet eens,” mopperde ik. “En je zegt maar wat.” Voor straf besloot ik geen koffie voor hem te pakken. “Je haar is hartstikke mooi,” grinnikte hij.

“Het enige dat te lang is, zijn je tenen.”