Vakantie is leuker

“Mamma, wat is dit?”
“Dit noem je een crypte.”
“Maken ze die nooit schoon?”
“Niet zo vaak nee. Vind je het mooi?”
“Nee. Het is versleten.”

Goed. Van de cultuur moet je het, met een dreumes en een peuter, niet hebben. Maar sprookjes doen het altijd goed. Tover wat feetjes in les grottes, een prinses in het chateau en voilà, de dag kan niet meer stuk.

De nacht wel. Want zoals iedereen weet; als het donker komt, maken de elfjes plaats voor monsters. De trollen, gnomen, Lizzys en Annabelles. Gekrijs, gemopper, gezeur. De drie G’s. Hele vakanties worden er door om zeep geholpen. Annabel snurkt. Annabel smakt. Ik zie Annabel haar billen. MÁÁÁMMÁÁ-IS-ANNABEL-WAKKER? Nu wel ja.

Tijdens de tweede nacht kondigde Paul aan dat hij stante pede terug zou rijden naar Nederland. En dat was een keerpunt. Geen Opvoeding meer op de camping. Ga maar zo laat naar bed als je wilt, eet maar koekjes tot je barst. Als je ’s nachts je waffel maar houdt.

Vanaf dat moment werden ook de nachten aangenaam. Zelfs de nacht toen het noodweer kwam. Het tentje waaide weg, stoelen vlogen door de lucht en overal zag je lichtflitsen. Terwijl ik probeerde het wasrek te redden, brak de hemel en begon het te hagelen. Eén seconde later stond er een verkleumde Fransman voor mijn neus. Hij kwam ons weggewaaide tentje terugbrengen. De volgende ochtend was er geen stroom.

Maar ook zonder stroom hadden we de mooiste plek van de camping. ’s Avonds, als we backgammon speelden, keken we uit op de golfbaan. (Die later door Paul en vriend R. vakkundig om zeep werd geholpen. Echt, de beelden kunnen zó door naar de Funniest Homevideo’s.) Er gingen elke avond hamburgers op de barbecue en Annabel leerde haar eerste woordjes; ‘eten’ en ‘ijs’. Op een hyperactieve rookmelder na (die al afging als je een scheet liet), was het er perfect.

Lizzy vond een vriendinnetje. Een buurmeisje dat aanbood om schoenen te ruilen en daarmee de liefde van onze dochter won. Samen speelden ze uren in een ‘huis’ dat ze met stoepkrijt getekend hadden. Of ze gooiden met de ‘frisbier’. De ouders zaten ondertussen bij ons hamburgers te roosteren. (En het moet gezegd worden, die smaakten bijzonder goed.)

Het leukst van de vakantie vond ik de afwisseling. Het zwembad was heerlijk. (Annabel zag er zó gaaf uit met haar bruine toet, witte haar en blauwe ogen. Zij en Lizzy fladderden met hun bandjes door het water alsof ze erin geboren waren). We hebben dubbel gelegen om Lizzy. (“Niet te lang in de zon mam, dan ga je verrotten!”) En halverwege de vakantie werden we óók nog eens vergezeld door vrienden. (Dat was een verhaal op zich; bij wijze van welkom hadden we hun caravan versierd. Ballonnen, rare briefjes, alles erop en eraan. Hartstikke leuk natuurlijk. Alleen bleek dat ik het nummer niet goed had onthouden. Ze zaten in een andere caravan.)

De laatste avond kwam veel te snel. De auto zat volgeladen en we zouden nog snel even eten. “Doe mij maar pizza,” riep ik, en wees op een bord met de aanbiedingen van die dag. Prompt bestelde Paul “un pizza ‘ce soir’”. Tot voorbij Parijs hebben we erom gelachen. En om te voorkomen dat we weer een paar honderd kilometer ‘lief klein konijntje heeft een vliegje op zijn neus’ moesten gaan zingen, deden we dat maar zachtjes.

Om twee uur ’s nachts dronken we een glas witte ‘Loire’-wijn op onze thuiskomst. Bah. Poststapel. Lekker. Eigen bed. Bah. Thuis. Lekker. Thuis. Wasmachine, vaatwasmachine, elektriciteitsrekeningen. Eigen WC. Bah. Lekker.

“Thuis is leuk, vakantie is leuker. Maar daarna is thuis weer leuk!” vatte Lizzy het de volgende dag treffend samen.

Morgen de foto’s

Advertisements