Tamar uit DIVORCE draagt haar dochters kleren

Hebben jullie het gezien?

Tamar –“Wat nu? Straf?” – Mendelbaum uit de populaire dramaserie Divorce, liep gisteren rond in een bloesje van haar dochter! Dat had ze aangetrokken om haar ex David te verleiden, maar ze had er duidelijk niet op gerekend dat haar dochter eerder uit school zou komen.

Uitbrander!

En dus kreeg Tamar weer een uitbrander. Niet van haar man dit keer (die ging er snel, zonder seks vandoor) maar van haar dochter. Die schreeuwde dat het háár bloesje was en dat het belachelijk was dat haar moeder het zonder hemdje droeg. “Daar ben je veel te oud voor!”

Daar ben je veel te oud voor

Het zinnetje zette me aan het denken. Niet dat dat ik in bloesjes van mijn dochter loop (en al helemaal niet van die flodders zonder hemdje) maar ik vraag me best vaak af of ik niet ‘te oud’ ben voor iets. Mijn lange haar, een kort rokje of een jeugdig T-shirt met een rare quote: vaak vind ik het zelf erg leuk, maar eerlijk is eerlijk, ik zie de twijfel soms in de ogen van mijn dochter(s).

Onzeker

Het maakt me een beetje onzeker. Ik wil er leuk en hip uitzien, maar ik wil niet dat mijn kinderen zich voor me schamen. Bij Annabel zal dat wel loslopen – zij wilde laatst júist dat we dezelfde jurk droegen – maar bij Liz ligt het momenteel anders. Ze is een tiener en ze begint zich een beetje te generen voor haar ouders. Een moeder in een zuurstokroze broek? Doe even normaal.

Ik probeer met iedereen rekening te houden. Roze mág gelukkig nog wel (geen zuurstok) en spijkerbroeken zijn altijd goed. Regelmatig vraag ik Liz’ mening over iets dat ik overweeg te kopen. Samen winkelen wordt op die manier eigenlijk alleen maar gezelliger want zij wil ook graag mijn mening horen over haar kleding.

Hoe jij bent

En toen we gisteren in een sportwinkel waren en zij een paar coole roze/zwarte Nikes uitkoos voor de zomer, zei ze spontaan: “Mam! Jij moet ze ook kopen! Ze zijn echt hip en ze passen heel goed bij…. bij… hoe jij bént!”

Ze zijn hip… Hoe jij bent… Gelukkig. Er is nog hoop voor mij.

Meer lezen? Op www.esthervuijsters.nl gaat het vandaag over de miskoop van Paul. Waar komt hij nú dan weer mee thuis?!
Advertisements

Vakantieverslag III

Het weer viel in eerste instantie een beetje tegen.

Vooral ’s avonds zaten we buiten gewoon te vernikkelen. De eerste dagen gingen we vroeg naar bed en werden buitengewoon uitgeslapen en katerloos wakker. (Alhoewel ik toegeef dat ik steeds langer, bij het flauwe schijnsel van de zaklamp, in de tent lag te lezen. Nostalgisch!) En hoe lekker het overdag ook was, ik miste de zwoele Italiaanse avonden die ik me herinnerde van eerdere vakanties in het Land van de Laars.

Dieptepunt kwam op de vijfde dag. Terwijl Paul ergens aan de rotsen hing (“canyoning”, niet ongevaarlijk bleek toen ons het bericht bereikte dat er twee Nederlanders verdronken waren tijdens eenzelfde expeditie) regende het op de camping uren achtereen. De Kletsen en ik maakten van de nood een deugd door in de voortent een kidsclub in te richten. “Ook dát heeft zijn charme,” zeggen sommige mensen. O? Glibberende slippers door de modder? Door de plassen naar het toilet rennen? Op je kont vallen omdat je bent uitgegleden over het natte tentzeil? Nee hoor. Niets charmants aan. Laat ik eerlijk zijn; als het regent is zo’n camping gewoon bagger.

Ik had een origamiboek meegenomen maar die kunst bleken we niet te verstaan. Verder dan een lullig bootje – en een heleboel propjes – zijn we niet gekomen. Zelfs de meest simpele figuurtjes bleken voor ons te moeilijk. Gefrusteerd heb ik het boekje in de prullenbak gegooid. Uiteindelijk heb ik de Kletsen de Nintendo in hun hand gedrukt en heb ik zelf een uur naar de hysterische tentgordijntjes zitten staren. Van ellende at ik alle koekjes op die er in de tent te vinden waren. Toen de zak leeg was, werd het weer droog en kwam iedereen zijn grot uitgekropen.

We bleken een nieuwe buurman te hebben. “Je moet maar zo denken ‘de regen is gratis’,” was eerste wat hij zei. Gelukkig ging hij na twee dagen weer weg. (Miste de gratis regen in Nederland?)

Ik verwachtte mijn man half en half terug met de traumahelikopter maar hij kwam heelhuids weer thuis en had het ‘supergaaf’ gevonden. En niet alleen Paul liet zich van zijn actieve kant zien; een paar dagen later stond ‘family-rafting’ op het programma. Ik had gedacht gewoon leuk in mijn Vanilia-jurkje in een vriendelijk bootje te kunnen stappen (de activiteit was tenslotte ‘vanaf vier jaar’) maar die gedachte bleek nogal naïef. Om te beginnen werden we uitgedost als kikvorsmannen, compleet met surfpak, zwemvest en helm. Het vriendelijk bootje was een krappe zodiac en zo werden we een kolkende rivier ingeduwd. De eerste waterval waar was ruim anderhalve meter hoog. Binnen vijf minuten liepen we vast op de rotsen (“we maken land”) en sloeg Paul bijna overboord. Dat was het moment waarop Annabel besloot dat de boot stom was en raften niet leuk. Gelukkig zag de rest van het gezin er de humor wel van in (al moet ik bekennen dat ik zo mijn twijfels had toen ik, na een duik in de ijskoude rivier, aan boord gehesen moest worden als een zwangere walvis).

Het biertje smaakte die avond extra lekker!

Een gedicht

Al dagenlang wordt hij
Door onzekerheid gekweld
Hij weet, hij heeft niet lang meer
Zijn dagen zijn geteld

Hij ziet het einde nad’ren
En weet dat hij moet gaan
Zijn vlam zal hij nu doven
Het is met hem gedaan

De duisternis zal komen
Het boek december sluit
Hij weet, hij moet vertrekken
Want zijn verhaal is uit

De tijd die hem nog rest
Is op vannacht gericht
Want daar, in ’t diepste donker
Begint het mooiste licht

Dus sluit hij nu zijn ogen
En droomt vast van zijn feest
Hij zal ons laten weten
Dat hij er is geweest

We zeggen hem gedag
Vaarwel 2008
Wees alsjeblieft voorzichtig
In deze Laatste Nacht

En dan om twaalf uur
Op de grens, 2009
Geeft hij zijn einde toe
En ’t nieuwe jaar zijn zegen

(r) door Esther

Jongetjes

De tuin bij de peuterspeelzaal wordt vernieuwd.

Paul zou gaan scheppen, samen met de andere vaders. Van die pappa’s zou een aantal de kinderen meenemen dus had ik mezelf opgeworpen als ‘juffie’. Fluitend stopte ik een puzzelboekje in mijn tas. Ik zou me wel vermaken.

Maar dat liep anders. De vaders brachten namelijk een aantal jongetjes mee. En ik had niet gerekend op jongetjes. Dat soort ken ik niet. Ik weet niets van jongetjes. Ik weet alleen van meisjes. Rustige, tuttebellende meisjes.

Zo wist ik bijvoorbeeld niet dat jongetjes niet gewoon rustig gaan spelen (“Kom we gaan rennen!”). En ik wist ook niet dat jongetjes werken volgens afwijkende constructiewetten (als het niet past dan sla je erop tot het wel past) en dat ze weinig ophebben met het begrip blokkades (doorrammen tot het opzij gaat). Ik wist niet dat jongetjes puzzels heel ruimtelijk zien (stukjes in de lucht gooien geeft een 3-D effect) en ik had er al helemaal geen weet van dat jongetjes zoveel kabaal konden produceren.

Ik nam mijn toevlucht tot een spannend voorleesboek. Dat hielp. Vijf minuten. Want toen ging de telefoon. “Blijf zitten, beweeg je niet,” zei ik en ik liep naar de gang. Maar jongetjes kunnen niet stilzitten. En dat wist ik niet. Dus toen ik luttele minuten later terugkwam in de zaal, en alles eruit zag alsof er onverwachts een tollende suiswind was binnengekomen, kreeg ik zowat een hartverzakking.

Ik heb nu héél véél respect voor moeders die één of meerdere jongetjes hebben.

Mutzigkeit

“Ik moet panty’s kopen,” zucht ik. “Ik heb er geen één meer!”

“Wat heb je nu dan aan?” vraagt vriendin C. met een blik op mijn benen. Ik haal mijn schouders op. “Niets. Bloot-onder-het-rokje.” C. knikt instemmend. “Ik draag pumps zonder sokken!”

We bekijken de wintermode. “Beetje depri,” oordeel ik. C. zegt dat ze het wel mooi vindt, maar dat ze het ‘nog niet zo bij het seizoen’ vindt passen. Nee, op dit moment vind ik níets bij het seizoen passen.

Ik puf terwijl we Vanillia inlopen. “Ik heb het zo warm,” klaag ik. “Ik heb echt spijt dat ik mijn winterjas aan heb getrokken.” C. luistert niet. “Kom eens,” roept ze enthousiast. “Kijk eens wat een ontzettend leuke muts!”

En leuk ís-ie! Een gehaakte wollen muts met een grote bloem erop. Beetje flower-power meets twenties. “O, hij kan heerlijk over je oren, lekker voor op de fiets!” kirt C. Nadat ik de muts aan alle kanten heb bekeken, zet ik hem ook op.

En dan krijg ik een paniekaanval. Buiten schijnt de zon en binnen is het warm. Een verkoopstertje, gekleed in slechts een t-shirt, loopt langs. Met mijn dikke jas en wollen muts voel ik me net een ijsbeer in de Sahara. Ik krijg spontaan een opvlieger; het zweet breekt me uit. Snel hang ik de muts terug.

“Weet je wat,” zeg ik tegen C. als ik buiten weer op adem ben gekomen. “Ik koop wel een muts als kóud is, oké? Op dit moment vraag ik me ten zeerste af of we überhaupt nog een muts nódig gaan hebben komende winter!”

Ik vind het weer heerlijk

Ik vind het weer heerlijk.

Ik vind het wéér heerlijk. En ik vind het weer héérlijk. Beide. Het voelt gewoon heerlijk. Heerlijk herfstig. In mijn hoofd, in mijn huis en op straat.

Het is kil. Het ruikt naar natte bladeren. Naar regen, naar verrotting. Het ruikt naar verf in de kamer. Naar mijn nieuwe witte kastje. Op de één of andere manier passen die geuren bij elkaar. Verf ruikt een beetje naar paddestoelen. Paddestoelen naar verrotting.

Het is herfstig. Van het ene op het andere moment breekt de zon door. Met een vriendin zit ik buiten aan de koffie. We kijken naar de appels die rijp in de bomen hangen. Er valt er een omlaag. De grond is bedekt met verse dennennaalden. Het zonlicht valt in strepen. “Het ruikt zo kruidig,” zegt vriendin E.

De zon verdwijnt. Wolken ontstaan uit het niets. Een vogeltjes hipt van tak naar tak in de appelboom, in de war gebracht door de plotselinge verandering van het licht. “Wil je nog koffie?” vraag ik. Vriendin E. knikt. Ze gaat een vestje halen want ze heeft het koud. “Het wordt echt herfst,” zegt ze. Ik knik.

Het wordt echt herfst. En ik vind het weer heerlijk.