Oeps… sorry!


Ik ben niet iemand die er zomaar van alles uitflapt.

Mij zul je niet zo snel horen zeggen dat ik een bepaalde opmerking niet leuk vind, dat ik je nieuwe vriend niet mag of dat ik vind dat je kind zich niet goed gedraagt. Ik ben meer van de mantel der liefde, van de splinter in het eigen oog. En van het ‘kijk eens in de spiegel’-principe.

Toch komt wat ik zeg niet altijd even goed over. Dat dit meer te maken heeft met onbenulligheid dan eerlijkheid blijkt wel uit het voorbeeld van gisteravond: tijdens het lenteklaar maken van de school joeg ik een collega/moeder de stuipen op het lijf door heel verongelijkt te zeggen dat ik vreselijk naar brand stonk. Dat kwam natuurlijk door het vuur op de Middeleeuwse boerderij, maar die moeder schrok zich een ongeluk omdat ze dacht dat mijn huis was afgebrand. Niet handig.

Ik heb ook wel eens tegen een accountmanager gezegd: “En hoelang duurt dat, schat je?” Als je het hardop zegt snap je wel waarom ik daarna hevig moest blozen. En wat te denken van de keer dat ik een grapje maakte over ‘rare Chinees’ tegen iemand die bleek met een Chinees getrouwd te zijn.

Het stomst wat ik ooit heb gezegd was eens tijdens Jazz hier in de stad. Het was onwijs druk en op de een of andere manier kwam ik allemaal mensen tegen waaraan ik echt geen behoefte had. Een ex, een duffe collega, iemand die ik niet mocht, die types. Later die avond – borreltje op – kwam ik een oude vriendin tegen met wie het destijds allemaal een beetje vreemd was gelopen.
“Gezellige drukte hè!” zei ze, toen we even stonden te kletsen.
“Nou,” zei ik. “Alleen kom ik op de een of andere manier alleen maar mensen tegen aan wie echt ik totaal geen behoefte heb.”

Daar bedoelde ik haar niet mee, echt niet. Maar ze liep wel boos weg. Oeps.

Wat is het stomste dat jij ooit per ongeluk gezegd heb?

Vacuum

Voor de derde keer ga ik er voor zitten.

Maar weer komt er niets. Is er niets. Alle gewone dingen, die vaak zo bijzonder zijn, blijven hangen in het alledaagse. Ik heb geen inspiratie, ik heb niets om over te schrijven. Ja, dat ik moe ben. Anders moe. Vermoeider dan anders. Alsof ik watten in mijn hoofd heb, alsof ik een winterslaap wil houden. Maar wie zit daar nou op te wachten.

Toen ik zo-even terugkwam uit het zwembad, zag ik de brommer van mijn hulp staan. Ik dank God op mijn blote knieën voor haar, want ík krijg het momenteel al Spaans benauwd als ik een wasmand zie. Sterker nog, ik ging net de vaatwasser uitruimen en ben halverwege gestopt.

Annabel ligt lekker te slapen, Lizzy speelt schooltje op de bank. Wat heb ik nou eigenlijk helemaal te klagen? Zou het de na- moeheid van het eerste (baby) jaar zijn? Of een soort verdrietje om de sombere augustusmaand? Het voelt in ieder geval heel raar, alsof ik ineens een andere rol speel, in een grimmig decor.

“We gaan fietsen naar de stad,” roep ik naar Lizzy. Lichaamsbeweging is goed. Het is best lekker weer, misschien waait de wind de muizenissen uit mijn hoofd.

De fietser fietst verbeten voort
De herfst zit hem al op de hielen
Het najaar haalt de zomer in
Waait zijn gedachten door de wielen