Verdwaald?

Het was een mooie dag. Alles was zoals het moest zijn.

En om in de sfeer van de rust en natuur te blijven, besloten vriendin B. en ik ‘s avonds tot (het maken van) een lange boswandeling. Het eerste stuk liepen we onze vertrouwde route. Maar waar we normaal rechtsaf gingen, de veilige weg zeg maar, gingen we nu rechtdoor.

Het begon al te schemeren toen we in de verte een paar brommers aan hoorden komen. We liepen op dat moment langs een verlaten landweg, tussen twee bospaden in.“We zijn volgens mij best ver van huis,” zei ik. B. knikte. “Heb jij je mobiel bij je?” Ik schudde mijn hoofd. “Ik ook niet.”
De brommers kwamen dichterbij en passeerden ons. Daarna vielen de stilte en de schemering extra op. “Wat wordt het snel donker ineens,” zei ik. “Hier staat een paddestoel,” riep B. “Nog 6,7 kilomter terug,” kreunde ik. We sloegen een bospad in. Een konijntje rende het naastgelegen korenveld in.

We gingen snelwandelen. We scandeerden een marsliedje dat B. nog haar jeugd kende. (Left, left, I left my wife with fourtyeight childeren etc.) Al snel werd het echt donker. “Heel slim,” constateerde B. “Twee blonde vrouwen alleen in een donker bos. In een rokje.” “Zonder mobiel,” voegde ik daaraan toe.

Na een tijdje konden we de paddenstoelen niet meer vinden. “Ik geloof dat ik het wel ongeveer weet,” giechelde ik. “Dat mag ik hopen,” bromde B. We waren nu echt moe. En dorst hadden we ook. Plotseling liepen we tegen een hek op. “He kijk,” zei ik. “De begraafplaats! Ik weet waar we zijn. Hier is mijn oma vanmiddag gecremeerd.”

We volgden het hek en kwamen bij het uitvaartgebouw. Was het nog maar een paar uur geleden dat hier naar die zwarte auto liep? Ik zwaaide naar de grote bomen. “Bedankt dat je me de weg hebt gewezen, oma” fluisterde ik. Ik wierp een kushandje naar het donker.

Binnen twee minuten liepen we op de vertrouwde weg naar huis.

Er op uit!

Hemelvaart + mooi weer = picknicken!

Met het kleed in de fietstas en een mand op het stuur fietsen we het bos in. Annabel achterop bij mij, Lizzy op haar eigen fiets naast Paul. Gezinnetje in de zon; we kunnen zó in het blad Ouders van Nu. (Net nog ruzie met Paul gehad, maar dat zie je niet op een foto.)

Onderweg komen we onze collega-picknickers tegen. Samen rijden we verder. Bij de zandverstuiving in het bos stoppen we. De kinderen rennen meteen het zand in (en gaan er mee gooien; jammer!) als wij de kleden uitleggen. Vriendin B. snijdt de cake en ontkurkt wijn.

Na een uurtje gaat de man van vriendin B. terug naar huis om nog een fles wijn te halen. Ik ben het niet gewend, wijn drinken ’s middags in de zon. Als ik opsta om met Lizzy in een bosje te gaan plassen sta ik een beetje onvast op mijn benen. Oeps.

Nog weer een uurtje later kloppen we het kleed uit om weer naar huis te gaan. Paul schudt het zand uit de picknickmand. Onder het kleed blijkt zich een aantal mieren te hebben verzameld. Lizzy en Annabel, samen in de insectenfase, hangen er met hun neus boven.

“Ik zie een bijtende rode mier!” Roept Annabel opgewonden. “O ja?” reageert Lizzy. “Is het een grote of een kleine?” “Een kleine,” zegt Annabel zonder twijfelen. “Een kleine,” herhaalt Lizzy. “Nou, dan is het geen rode maar een zwarte mier.”

Afijn, tot zover de natuurles.

Heb ik weer!

Ik kom vaak in de dierenwinkel.

Niet alleen zit deze (gratis) mini-Zoo bij ons om de hoek, ze hebben er ook allerlei leuks. Vogels (onze Tuffy kwam er vandaan), eekhoorntjes, enorme konijnen, tropische vissen en, last but not least, een grote afdeling reptielen.

Geen idee waar ze ’t vandaan hebben, maar de meiden vinden reptielen geweldig. Wanneer we even gauw iets voor de vogels kopen, willen ze altijd kijken. En zo liep ik daar gisteren weer, tussen de vogelspinnen, slangen en langs de kleine (maar angstaanjagende) babykrokodil.

Achter ons was iemand de boom in het papegaaienhok aan het snoeien. Terwijl wij de bontgekleurde slangen bekeken gooide men tak na tak op de stapel. Boven mijn hoofd kriebelden enorme spinnen door hun hok. Fascinerende beesten, maar niet geschikt als huisdier. De rillingen liepen over mijn rug.

Op het hok van één van de slangen zat een etiket. “Pas op, reageert snel.” Terwijl ik me gespannen afvroeg wat deze onheilspellende boodschap betekende, tikte Lizzy tegen het terrarium. Prompt schoot de slang naar voren om naar het glas te happen. Daarna ging het snel: ik schrok en automatisch deed ik een stap naar achter. Precies op dát moment gooide de dierenverzorger per ongeluk een flinke tak op mijn schouder.

Je hebt geen idee hoe hard ik gilde.

Tita Tovenaar

“Dan doe ik dit, en alles staat stil.”

Lizzy en Annabel zijn gék op Tita Tovenaar. Dat is begonnen met een dvd van de ‘oude’ serie. (Die uit de jaren zeventig met Ton Lensink in de hoofdrol), die ik ooit voor ongeveer nul euro uit de koopjesbak van de V&D heb gevist. (Kon de lokroep van mijn jeugd niet weerstaan.) Die dvd is inmiddels aardig grijsgedraaid.

En nu is er een geheel nieuwe serie Tita Tovenaar. “Da’s vast niets,” dacht ik, xenofobisch als ik ben, toen ik er voor ’t eerst over hoorde. Maar ik had het mis, de nieuwe serie is (ook) erg leuk. Net zo maf, nep en aandoenlijk als de oude. Sinds ik dat weet, neem ik het programma elke dag op. Mogen de kletsen ’s avonds voor het naar bed gaan Tita Tovenaar kijken. Vinden ze super!

En pappa en mamma ook. Want die kijken lekker mee!

En jullie? Wat kijken jullie ‘uit de oude doos’ (met of zonder kinderen?)

La Mindy

Over superhelden gesproken.

Vanmiddag gaan Lizzy en ik naar de theatershow van Mega Mindy. En voor wie La Mindy niet kent; ze is een échte superheld! In een roze (!) pakje, en met wapperende krullen, vliegt ze stad en land af om ons te bevrijden van allerhande tuig en gespuis.

Mindy’s alter ego Mieke (‘girl next door’ wanneer geen superheld) is politieagente. Ze is in ‘t geheim verliefd op collega Toby, maar díe heeft het natuurlijk weer de hots voor de stoere Mega Mindy. Balen! Mieke schrijft er vaak over in haar dagboek, wanneer ze mijmert over haar eerste kus.

Girlsstuff
dus, die Mega Mindy. Hartstikke populair onder meisjes van ongeveer nul tot honderd. Iedereen wil tenslotte wel een roze superheld zijn. Niet voor niets vliegen de Mega Mindypakken als warme broodjes over de toonbank. (Let op, tegenwoordig ook in volwassenmaten te verkrijgen!)

En vanmiddag gaan we haar zien. In het echt. In het roze. Met Toby. Ze gaat haar leuke liedjes zingen (“Ik ben Mééééga Mindy, ben een echte superheld”) en waarschijnlijk vangt ze hier of daar wel een boef. Ik heb zelfs begrepen dat z gaat vliegen! Supercooldude.

Maar goed. We zullen het vanmiddag beleven. De kaartjes liggen al weken in de kast en één ding is zeker, hier in huis is een klein meisje érg opgewonden.

En Lizzy heeft ook veel zin! 😉

Jåmmer

Ik zag ze meteen.

In een witte mand, vlak bij de ingang. Ik had net de kinderen in smålland gedumpt en was onderweg naar de afdeling verlichting. En daar zag ik ze weer. Goed verlicht natuurlijk. Naast de skimra-lampenkappen. Dapper liep ik erlangs.

Ter hoogte van het restaurant leek het even mis te gaan. Een heel grote bak vol! Het rode plastik leek me toe te schreeuwen: “Pak mij, pak mij!” Gelukkig leidde mijn buurvrouw me af. We betaalden onze cappuccino en gingen zitten.

Ze bleven me achtervolgen. Doken op bij de Ljuvlig- en Anrik keukenspullen en bij de Stenstorp meubelen. “Ga weg,” siste ik. “Ik mot jullie niet. Ik walg van jullie. Ik krijg pukkels van jullie.” Als ik niet beter wist zou ik denken dat ze me uitlachten.

Uiteindelijk stond ik daar bij de kassa. Ik wiste het zweet van mijn voorhoofd. Ik had het gehaald, ik was er aan voorbij gegaan. Mijn maag knorde, maar ik was gered. Ik kon relaxen. Langzaam begonnen mijn verkrampte spieren zich ontspannen.

En toen zag ik ze. Eén meter voor de kassa, een schap vol. Ik voelde mijn maag knorren, de weerstand verslappen. Dit was teveel op één dag. Trillend strekte ik mijn hand uit.

Weerloos legde ik een zak in mijn karretje.

In de bocht, uit de bocht

Het is onderhand bekend.

Ik ben blessuregevoelig (lees: nogal lomp) en ik hou niet erg van sporten. Aquarobics overleef ik nog net vanwege de gezellige club en de leuke muziek en verder fiets ik regelmatig naar mijn werk. Ik loop naar de supermarkt en neem altijd de trap. That’s it.

Vroeger heb ik altijd aan volleybal gedaan. Daar was ik nog wel aardig goed in. En leuk was ’t ook, met een stel leuke meiden wekelijks een wedstrijdje spelen. Daarna bijkletsen in de kantine. Maar we werden ouder en de club viel uit elkaar. ‘k Heb nooit meer zoiets teruggevonden.
De eerste keer dat ik naar tae kwan do ging kwam ik met een blauw oog terug. De week daarna had ik een geschaafde wang. Daarna mocht ik niet meer. Ik ging naar de sportschool. Samen met een vriendin hield ik dat wel een tijdje uit maar uiteindelijk zaten we vaker aan de bar dan in de zaal.

Na de geboorte van Lizzy sportte ik lang onder begeleiding om gewicht te verliezen. Dat lukte, maar het was te duur om ‘standaard’ te gaan doen. Net als winkelen. Dat is ook goede lichaamsbeweging, maar het is ook nogal duur. Ik moest onderhand toch echt weer eens wat anders verzinnen.

Dus toen vriendin B. met het idee kwam om gewoon elke week een uur ‘a avonds te gaan wandelen (en dan flink doorstappen) vond ik dat een uitstekend idee. Low impact, tijd om de laatste roddels door te nemen en weinig kans op letsel. Dacht ik.

Tot ik gisteravond op de fiets naar onze ‘date’ onwijze onderuit ging in de bocht.

En nu loopt ik mank.

Een leuk gesprek!

Heb ik weer!

Ga ik gistermiddag leuk bij oma op visite, word ik uitgekafferd door een bejaarde! Ik dacht eerst nog dat hij een geintje maakte want hij begon – tijdens het eten – te mompelen dat ‘die meneer’ (mijn broer) zijn mond eens moest houden. We hadden de krasse knar vriendelijk toegeknikt en waren vervolgens doorgegaan met het eten geven van oma. Onderwijl gezellig keuvelend.

Maar de bejaarde bleef er een beetje in hangen. “Je moet niet praten, wees eens stil,” mopperde hij. Hij begon zijn stem te verheffen. “STIL!” “O hemel,” riep ik uit, “hij méént het!”. De mevrouw naast ons legde uit dat het bij meneer thuis vroeger altijd doodstil moest zijn tijdens het eten en dat hij dat nu in het verzorgingshuis ook verwachtte. Arme oude baas, dacht ik. Vriendelijk knikte ik hem nogmaals toe.

Waarop hij zich voorover boog, me aankeek, en siste: “En jij, jíj komt zeker van het woonwagenkamp!”