Kelly en ik


“Is het een cadeautje?”

De verkoopster van Intertoys wierp een zorgelijke blik op de erorme doos die ik voor de kassa geparkeerd had. Meelooppop “Kelly” (‘levensgroot!’) keek ons vanachter haar raam van doorzichtig plastic tamelijk uitdrukkingsloos aan.
“Ja,” zuchtte ik. “Het is een cadeautje. Maar ik pak het thuis wel in.”

Achteraf had ik het natuurlijk heel anders moeten aanpakken. Ik had Paul – met de auto – naar de één of andere speelgoedwinkel in de buurt moeten sturen, in plaats van zelf met een inpakte pop ter grootte van mijn eigen kind door de stad te gaan banjeren, alwaar mijn doos en ik zo ongeveer elke tegenligger omver beukten. Het was belachelijk druk in de binnenstad en een pop van ruim een meter in een nogal lompe verpakking is niet écht meegaand. En dan die ópmerkingen.

“U wilde zeker graag een kind!”
“Is het voor een opvoedcursus?”
“Een buggy is handiger hoor!”
“Wat een heerlijk rustig kind heeft u.”

En ik had “Kelly” natuurlijk gewoon moeten laten inpakken, sukkel die ik was. Maar ja, vriendin B. stond bij de Hema op me te wachten dus ik had een beetje haast. En daarbij, ik vond het zo zielig voor de verkoopster, ze had het al zo druk.
Al lopend stuurde ik Paul een smsje.
“Annabel zal blij zijn, maar ik loop zwaar voor gek met een kind van anderhalve meter onder mijn arm.”
Hij smste direct terug.
“Haha. Kan vriendin B. niet zelf lopen?”

Vriendin B. schrok zich een hoedje toen mijn doos en ik kwam aanwandelen. Of ik Kelly niet gewoon bij een oppas had kunnen brengen, vroeg ze. Ze wees me op de tekst die voorop de doos stond: ‘ik loop met je mee!’.
“Als we haar nou gewoon eens uit de doos halen, dan stiefelt ze vast wel achter ons aan,” opperde ze,
“Ze heeft geen jas aan,” gromde ik. “Ik wil niet dat ze kou vat.”

In de Dixons kocht ik batterijen. Kelly mocht dan mechanisch zijn, het danseresje dat ik voor Liz had gekocht was dat niet. Het was precies negen uur en toen we de winkel verlieten en achter me werden de deuren direct gesloten. Ik was nog geen tien passen van de winkel verwijderd toen de schrik me om het hart sloeg. Mijn kind!
Fluks rende ik terug naar de winkel en gebaarde deur open, deur open naar de man die net de sleutel wilde omdraaien.
“Bent u wat vergeten?” vroeg de man achter de toonbank verwonderd.
“Ja,” hijgde ik. “Mijn kind.”
“Uw…. kind..?” De man achter de toonbank keek geschrokken de zaak rond. Toen hij de doos met de pop zag begon hij te lachen. “Ik dacht al…” zei hij.

Een kwartier later zat ik met vriendin B. én Kelly in de kroeg. Laatstgenoemde stond naast ons op de grond.
“Twee gin-tonic’s met citroen,” bestelde wandelvriendin B. “Die hebben we wel verdiend.”
“En voor haar?” de jongen die ons bediende knikte grinnikend in de richting van de doos.
“Ze mag nog niet drinken,” zei ik. “Te jong.”
“Help me onthouden dat ik mijn kind straks niet weer vergeet,” zei ik tegen B. “Zo zielig als ze straks in d’r eentje in de kroeg staat.”
B. knikte en maakte een foto. “Voor je blog,” zei ze.

Het viel nog niet mee om – na twee gin-tonics – ons kind (met doos en al) op de fiets te krijgen. Na flink duwen en trekken lukte het me om haar in het kinderzitje te snoeren en als een soort uit de kluiten gewassen botsauto begon ik aan de terugreis. Gelukkig was het inmiddels flink donker en bleven de opmerkingen uit.

Paul kwam niet meer bij toen hij me zag thuiskomen.