Intense bewondering

lunch

Mensen die…

Mensen die ergens gaan lunchen en dan dikke plakken meergranen brood bestellen, bijvoorbeeld met tonijnsalade, met een glaasje water erbij, en er dan écht voor gaan zitten.

Mensen die het dan kunnen opbrengen om dan héél langzaam dat broodje ‘aan te kleden’: eerst verdelen ze de tonijnsalade met militaire precisie over het brood, vervolgens wordt de tomaat gefileerd, deze komt op de tonijn en onder de alfalfa. Soms wordt zelfs het bord nog verschoven om de lunch vanuit het juiste perspectief te kunnen bekijken.

Mensen die dan vervolgens ook echt een studie maken van hun lunch. De schoonheid van het voedsel in zich opnemen. En die dan tenslotte een piepklein stukje brood afsnijden, in hun mond steken om er vervolgens dan óók nog de volle voorscherven twintig seconden op te kauwen. Die dan hun bestek weer néér leggen (netjes, ook dat nog!) en even voor zich uitstaren.

Mensen die op die manier zeker drie kwartier doen over hun lunch.

Díe mensen. Daar heb ik toch zó’n bewóndering voor!

Wij zijn druk


De boekenleggers zijn binnen, de postzegels ook, ik heb enveloppen gekocht en nu hoef ik alleen nog maar ongeveer driehonderd enveloppen te vullen en te voorzien van adres. Ik hoop dat ik alles voor mijn vakantie nog op de bus kan doen.

Gelukkig heb ik veel hulp, zelfs Tuffy helpt mee.



Heb je nog geen mail van TenPages.com ontvangen en heb je wel aandelen gekocht? Stuur me dan een mail met je adres, dit kan via de redactie.

Kwartetten

“Annabel, mag ik van jou uit de serie ‘dertien’ ‘Het hondje’?”

Annabel kijkt voor zich, keert hier en daar een kaart om (ze heeft ze voor zich liggen op tafel) en zeg dan: “Nee. Die heb ik niet.”

“Die heb je wel,” reageert Lizzy. “Kijk maar eens goed.” Annabel draait nogmaals een paar kaarten om, vindt ‘hondje nummer dertien’ en overhandigt hem aan mij.

“Heb je er nog een?” vraag ik.
“Heb ik er nog een?” vraagt Annabel aan Lizzy.
Lizzy schudt haar hoofd.

“Dan ben jij nou aan de beurt,” zeg ik terwijl ik naar Lizzy knik.
“Mamma, mag ik van jou “hondje nummer dertien.”
Ik schuif de kaart naar haar toe.

“Hoe wist jij trouwens dat Annabel dat hondje had?”
“O, gewoon.” Zegt Lizzy. “Die had ik in haar kaarten gezien.”

Het valt niet mee. Spelletjes doen met de Kletsen.

Meet the Flintstones II

Ik kwam er pas vrijdag achter.

Dat die monteur maandagochtend zou komen. Ik had de afspraak even over het hoofd gezien. (#zomertijd) Dat was niet echt handig want ik nou net díe ochtend een vertelsessie gepland: zowel de klas van Lizzy als in die van Annabel zou ik een bijna-vakantieverhaal vertellen. (Bij Liz een heel speciale, een spannend verhaal waarin haar eigen klas de hoofdrol speelde. Het verhaal was een groot succes maar dit terzijde.)

Er zat weinig anders op dan dat Paul zou thuisblijven. (Onder protest, hetgeen door mij genoteerd werd.)

Om elf uur was ik weer thuis. Geen Ziggomeneer. Geen nieuwe aansluiting. Nog wel TV, internet en telefoon. Paul ging naar zijn werk en ik wachtte af. Ik schreef nog snel een logje voor Vrouwonline. Ik printte een pastarecept. Afijn, ik verval in herhaling.

Om kwart voor twaalf belde de monteur. “Ik wil graag de afspraak verzetten. Is het goed als ik vanmiddag kom?” Tja. Om kwart voor twaalf heb je niet echt meer een keus meer, lijkt mij. “Ik wil wel voetbal zien,” zei ik. Echt niet dat hij mijn TV ging afsluiten als Nederland moest spelen. De monteur verzekerde me dat, wanneer hij om half twee zou komen, hij vóór de wedstrijd klaar zou zijn.

Om half twee ging de bel. De monteur, een jonge jongen, begon direct allemaal enge dingen te roepen. Het modem was niet goed (maar dat bleek later nog wel mee te vallen). De kabels lagen op de verkeerde plek (hoezo?) en hij wilde een brief met codes van me hebben (zei me niets). Het zweet brak me uit en dat had niets met de locale temperatuur te maken.

De brief bleek een afspraakbevestiging van Ziggo te zijn. Ha, die had ik gezien. Snel ging de monteur aan de slag. “Heeft u een stekkerdoos?” “Hoeveel meter kabel loopt er vanaf de aansluiting naar de slaapkamer?” Het werd half drie, drie uur. “Wilt u deze aansluiting splitten?” Half vier. De kinderen waren inmiddels uit school en ik had nog steeds geen beeld. Ik begon ‘m te knijpen.

Plotseling, een paar minuten voor vier, hadden we beeld. De spelers liepen het veld al op. “Gelukt,” zei de monteur opgetogen. “En als u nou snel even een handtekening zit, dan kunnen we allemaal voetbal kijken.” “En jij dan?” vroeg ik. “De wedstrijd begint al bijna.” “Geen probleem,” zei de monteur. “Ik woon in Vlakbij.”

Ik hield de deur voor de monteur open. Op de achtergrond klonk het Wilhelmus. “Ik heb het goed gedaan,” zei de monteur, duidelijk in de ban van het voetbal. “Ik heb mijn afspraken allemaal zó verzet dat ik lekker thuis voetbal kan kijken.”

Aha. Opeens werd me een boel duidelijk. Nou ja, de aftrap naderde en Oranje moest spelen. Alles leek hier verder prima te functioneren (ik had internet, e-mail en de telefoon werkte). Ik kon de jonge monteur ook wel een beetje begrijpen.

Voetbal doet rare dingen met ons.

Tutti Frutti XIII

Er zitten weer een paar briljante tussen!

“Ze slaan je hier niet voor vol aan.”

“De jongens zijn elkaar in de nek gevlogen.”

“Dat was een druppel op de hete plaat.”

“Hij wilde het eens lekker onder mijn ogen wrijven.”

“Ik zal hem eens flink achter zijn staart aanzitten.”

“Je moet niet van elke scheet een donderslag maken.”

“Ze zijn ‘m alweer gevlogen.”

“Ik zal dat meisje eens even de was lezen.”

“Het viel me in ’t verkeerde keelgat.”

“Ze was zo dronken als een tientje.”

“Wie weet wat voor struisvogels er nog in de bosjes zitten.”

“Sommige mensen woekeren dat aan!”

“Dat is lullen tegen Brugman.”

“Ik zet er vandaag nog een punt onder.”

“Jullie leggen het vuur aan mijn schede.” (Auw!)

“Ik ga d’r even een puntje aan blazen.”

“Daar zal je je ook geen buil door vallen.”

“Ze zijn uit het niets verdwenen.”

Blijf posten! Laat ons meelachen!

Vakantieverslag III

Einde eerste week.

De dagen die volgden waren mooi. En in de zon is álles leuk. De kinderen speelden in en om het huisje en keken naar het brutale eekhoorntje dat elke dag kwam bedelen. “Híj vindt het eten hier wél lekker!” zei Annabel op een ochtend. “Tuurlijk,” snufte Lizzy wijs. “Het is een Fránse eekhoorn, joh!”

We gingen ‘bodysurfen’ in de oceaan. Althans Paul. Ik bleef veilig op het strand. “Moet op de kinderen letten,” mompelde ik doezelig. De golven waren ontzagwekkend, maar wanneer het halftij was kon je er prima zwemmen. Paul bouwde met Annabel een groot zandfort en Lizzy vertroetelde een aangespoeld zeepaardje.

Het was leuk om naar de Franse reddingsbrigade te kijken. Keer op keer moesten ze uitrukken om een bodysurfende bierbuik uit de golven te redden. (“Heb je weer zo’n gevierde veertiger die zonodig de pik uit moet hangen,” zei Paul dan.) Zelf deed ik nog een poging – als was ik Pam A. zelf – in hun kielzog naar de naar de branding te zwemmen, maar dat leek natuurlijk nergens op. Pam heeft tenslotte véél langer haar dan ik. En een rood badpak.

Maar hoe leuk het strand ook was, de kletsen vonden het zwembad leuker. (Annabel, onze viespeuk, die zichzelf keer op keer omtoverde tot sorbet wanneer ze zoiets simpels als een ijslolly at, zei: “Op het strand krijg ik vieze hánden!”) Bij het zwembad sloten de kinderen vriendschap met een paar Engelse meisjes, wat de leuke combinaties Lizzy & Lois en Anna & Annabel opleverde. Annabel kwam met haar Dora-engels trouwens goed weg; ze beantwoordde alles met “yes” of “lets go!”. Evengoed zwommen ze, vooral Lizzy, het liefst, met pappa. Snorkels op, duikbrillen mee en flipperen maar. Het oefenen thuis in de badkuip had haar duidelijk goed gedaan.

Ze gedroegen zich trouwens voorbeeldig, de kinderen. Toen Paul Annabel een keer corrigeerde omdat ze hem aansprak met ‘oké maatje,” veranderde ze de zin prompt in: “Oké Koninklijke Hoofdheid!” Kijk, dat vond het hoofd van het gezin oké natuurlijk.

Morgen het slot.


Onze favoriet: “De witte billen-foto”.