Gefeliciteerd, u heeft ergens recht op!

Ik ben chronisch ziek.

Althans, dat vindt het CAK, getuige de brief die ik gister van ze ontving. Chronisch ziek. Ik vínd het nogal wat om dat op je deurmat te vinden. Zo op de vrijdagmiddag. Hoe ze daarbij kwamen? Heel simpel. Hadden ze geconcludeerd aan de hand van voorgeschreven medicijnen.

En vanwege mijn chronische ziekte, hoe meelijwekkend, had ergens recht op; een compensatie van mijn eigen risico. Verrek zeg. Wat leuk! Ik zou een vastgesteld bedrag ontvangen van maarliefst zevenenveertig euro. Niet meer en niet minder. Elke chronisch zieke ontving hetzelfde bedrag.

De bijgesloten folder gaf vooral informatie over de manier men bezwaar tegen de beschikking kon maken. Dat vond ik nogal vreemd. Ik bedoel, ik heb wel bezwaar tegen mijn chronische aandoening(en?), maar natuurlijk niet tegen compensatie. Zou er íemand zijn die bezwaar zou aantekenen tegen die zevenenveertig euro?

Afijn. Als ik, als chronisch zieke, verder geen bezwaar had tegen het feit dat ik was ingedeeld in een Farmaceutische kostengroep, dan ontving ik mijn compensatie in november. November? Dan pas?!

Ik hoop dat ik dat haal!

Maandag

Regendruppels tikken op het raam.

Het dak kraakt een beetje; het moet hard waaien. “Leeg mij, leeg mij!” roept mijn blaas. Het is gewoon kóud in de badkamer. En donker. Niks geen fluwelen ochtendzon, geen oogstgevoel, geen augustus. Fokking herfst!

Het moet iets van zes uur zijn. Mijn bed is heerlijk warm en ruikt nog naar mijn dromen. ‘Ik wil niet,’ gillen mijn geen-zintuigen. Één deur verderop klinkt gehuil. Ik probeer het te negeren, misschien houdt het dan op. Maar nee. Het wordt dwingender. Ik moet eruit. Hoe maandag kan een maandag zijn?

In het ledikant zit een warm maar vooral boos bolletje. Ik neem haar bij me in bed. Dat wordt niets, denk ik, die wil ‘uit’. Maar ze verbaast me. Ze kruipt in het holletje van mijn arm, legt haar wang tegen de mijne en valt zomaar weer in slaap. Nog geen minuut later staat Lizzy voor mijn neus. Half en half verwacht ik een driftbui. Annabel ligt op ‘haar’ plekje. Maar nee. Lizzy kruipt tegen Annabel aan, frut een arm onder haar zusje door en geeft haar een kusje. “Hoor je de regen buiten?” mompelt ze, alweer bijna vertrokken, “Gezellig zo hé, met z’n allen in bed.”

Tevreden spinnend vallen we alledrie weer in slaap.