Spraakverwarring

Vanochtend vroeg.

Lizzy speelt met de playmobil. In haar hand houdt ze het bruidje.
De playmobiltaart en de bruidegom staan al op tafel. “Zo,” zegt ze.
“Even je sluier om, dan kan je trouwen.”

Annabel kijkt bedenkelijk op van haar boterham. Ze kijkt naar Lizzy.
En naar het bruidspaar. “Mamma,” vraagt ze. “Waarom moet je, als je gaat trouwen, eigenlijk een luier om?”

Rammelende huwelijksklokken

Ik ben niet getrouwd en dat bevalt me doorgaans prima.

Ik vind bruiloften drakerig, trouwkleding bespottelijk en vrijgezellenfeestjes een beproeving. Hele goede redenen om het stadhuis te mijden, het gipskruid gewoon in een vaas te zetten en de rijst te koken in plaats van strooien.

Tegen de kinderen zeg ik altijd dat je op verschillende manieren kan trouwen. En dat pappa en mamma met hun hart getrouwd zijn. Dat ze zonder woorden, onder de sterren, elkaar een heleboel dingen hebben beloofd. De kinderen vinden dat een mooi verhaal. Ikzelf ook.

Nou wil het geval dat er al jaren een bruidwinkel bij mij om de hoek zit. Normaal loop ik daar met opgeheven hoofd langs. Trouwen is voor bruidjes, maagdelijk in het wit. Ik zou binnen de korte keren een vlek hebben. Of over mijn sleep struikelen. Een snelle blik werp ik naar binnen, meer niet.

Tot een paar weken geleden. Want toen zag ik opeens een Héle Coole Bruidsjurk. Een korte (net boven de knie) met een soort klokvormige minirok. Op het bijbehorende hoedje (precies mijn smaak, dat hoedje) zat een voile. En het allermooiste, bij de jurk stonden trouwlaarzen. Kniehoog, roomwit en helemaal versierd met lovertjes.

Afijn, je begrijpt het al. De bruidsklokken kondigden alarmfase één aan. En sindsdien luiden ze in mijn hoofd. Tatátata Tatátata. Elke keer als ik langs de bruidswinkel loop zie ik mezelf op het altaar staan. In de Hele Coole Bruidsjurk. Geen rammelende eierstokken maar rammelende bruidsklokken.

Paul vond het niks. “Je trouwt toch niet omdat je plots een leuke jurk ziet hangen?” Zei hij. Zijn mening bleef ongewijzigd, trouwen was niets voor hem. De spelbreker. En hij had de Hele Coole Jurk nog niet ééns gezien. Hij wíl gewoon niet trouwen.

Wat denken jullie, zal ik dan de laarzen maar nemen? Ik wed dat díe wel met me willen trouwen!

Ze keken me zó uitdagend aan in de etalage!