Ik kijk in de spiegel en zie

Een bruin gezicht.

Ja. Een bruin gezicht. Met een paar sproeten. Ongelooflijk hoe snel ik verkleurd ben gisteren in de lentezon. Annabel was zo lief aan het spelen met haar buurmeisje, ik heb zeker anderhalf uur met een kopje thee op het bankje gezeten.

En ’s middags zat ik er weer. Met een glas rosé. Dat had ik wel verdiend want ik had in de tuin gewerkt. Beetje onkruid wieden en vegen terwijl Paul het grotere aanpakte. Hij haalde een boom om. “Zo komt de Chinese roos beter uit.” De romanticus.

Het badwater was zwarter dan ooit. De kinderen hadden de hele dag voor het huis in het zand gespeeld. Lizzy had ergens een rups gevonden en die de hele dag (in een jampotje) met zich meegesleept. Ik kon nog maar net voorkomen dat hij bij haar in bed moest slapen.

Ik kijk in de spiegel en zie een bruin gezicht. Ja. Een gelukkig bruin gezicht. Niet meer en niet minder. Meer zelfreflectie lijkt me niet nodig. Ik zet gewoon een zonnebril op.