Oranje boven!


Ik weet niet hoe het bij jullie was, maar ik heb echt een wereldkoninginnedag gehad!

Ik was mijn tuin nog niet uit of ik struikelde over de feestelijkheden: Paul stond met een rood hoofd aan het springkussen te sjorren, taarten werden op tafels en stoelen gezet (afhankelijk of het de eetbare of bejaarde variant betrof) en op het muurtje tegenover ons huis signaleerde ik het eerste doodgeslagen biertje (ach, zolang het een biertje was). Het was half tien, welkom op ons buurtfeest.

Paul had zich, in een vlaag van verstandsverbijstering, aangemeld voor de organisatie. Dat had hij voornamelijk gedaan omdat hij een soort kermistent wilde gaan exploiteren; flipperen en schieten met de kermisbuks voor vijftig cent. Een briljant idee want zo kwam ik van al die stoffige knuffels in de kelder af: die werden de prijsjes. Schiet raak en win een knuffel, stond er op een groot bord. Lesbische buurvrouw schoot raak en wilde een knuffel van mij. Gelukkig was ze de enige, anders was ik nog met al die beesten blijven zitten.

Na de officiële opening en het oplaten van de ballonnen ging het snel: binnen vijf seconden stond er een rij voor Paul zijn kermistent en die rij is de hele dag blijven staan. Iedereen wilde schieten, flipperen en knuffels winnen. Liz en haar vriendinnetje vulden kogeltjes bij, Annabel telde het geld en Paul zorgde dat buurtgenoten niet op elkáár gingen schieten. Bijkomend voordeel was dat de Kletsen geen tijd hadden om K-dagmeuk te kopen (terwijl ik wel dingen verkocht, dus dubbel winst).

Eind van de dag werd de schiettent onder luid protest gesloten en was het tijd voor het Italiaanse buffet en een borrel. Heerlijk zo in het zonnetje. Buurtbewoners kwamen voorzichtig informeren of Paul eventueel in te huren was voor feesten en partijen. Tevreden glimlachend brak Paul zijn partijtent af en takelde de flipperkast weer de kelder in. De afterparty in onze tuin ging door tot diep in de nacht.

Vanochtend stond de tuinhaard nog te roken en lag het opgerolde springkussen voor de deur. De roosjes van de schiettent lagen her en der in de tuin verspreid, als kleurige herinneringen aan een superleuke dag.

Het feit dat wij vanaf nu als de Kermisfamilie-van-de-buurt bekend staan, doet daar niets aan af.

Foto boven: ook Tuffy viert feest, hij heeft lol met de grabbeldoos.

Exclusieve natuurlijke parfum

De eco-trend zet dit jaar echt door, en vooral op het gebied van lichaamsverzorging, beauty en mode.

Niet verwonderlijk, aangezien het steeds belangrijker voor ons wordt om gezond te leven en we steeds meer (willen) weten over alle stoffen en chemicaliën die gebruikt worden in allerlei producten.

En andersom werkt deze trend ook door: Er komen steeds meer producten met alleen maar natuurlijke ingrediënten op de markt. Wist je bijvoorbeeld al dat je ook natuurlijk kunt ruiken?

De nieuwe parfumlijn Tsi-La bevat alleen geurstoffen van natuurlijke oorsprong. De parfums worden op ambachtelijke manier gemaakt en bevatten exotische specerijen, kostbare houtsoorten en bedwelmende bloesems. Oftewel: Je ruikt mysterieus, exotisch én verantwoord. Bereid je voor op een levenslange ‘groene’ verslaving!

Ben je benieuwd naar dit mysterieuze parfum? Op Shizo.nl kun je het bestellen.

Bel-mania

Ik keek door het raam van de Etos naar buiten.

Twee meisjes fietsen al bellend langs. Ze reden naast elkaar. “Ze zouden toch niet met elkáár bellen?” vroeg ik me verschrikt af.

Ergens in de winkel hoorde ik een ringtoon. “Met Anneke.” Ik kon het niet helemaal volgen, maar ondanks dat het gesprek nogal lang duurde begreep ik dat Annneke ‘over vijf minuten’ terug zou bellen. Ze wilde de telefoon net in haar tas stoppen toen deze wéér begon te rinkelen.

Tenslotte kwam ik aan bij de kassa. De man voor me haalde, terwijl hij afrekende, een of ander fancy apparaat uit zijn zak. Het bleek, jawel, zijn telefoon. “Waar ben je nu?” De welbekende vraag. Er liep een vrouw de winkel binnen. Ook bellend. “Hier ben ik,” zei ze. “Ik ga even naar de groenenboer.” En weg was ze. “Dag,” zei de man en verbrak de verbinding.

En op dat moment vroeg ik me wérkelijk af of we niet een béétje aan het doorslaan waren.

Een andere kijk op de dingen

Weer een ervaring rijker.

De shimmertest (uitgevoerd door de reumatoloog) had uitgewezen dat ik (te) droge ogen had. En aangezien dit verschijnsel in verband kan staan met gewrichtsklachten werd ik doorverwezen naar de oogarts.

Aldus meldde ik me gisterochtend bij de afdeling oogheelkunde. De assistente druppelde een vloeistof in mijn ogen die ervoor moest zorgen dat mijn pupillen groter werden. “Dan kan de oogarts alles beter zien,” legde ze uit. “Het kan zijn dat je wat wazig gaat zien.”

Tja. Dat was een understatement. Terug in de wachtkamer veranderde mijn cryptogram spontaan in een woordzoeker. De letters dansten voor mijn ogen. De omgeving werd vloeibaar; gangen golfden en de klok smolt voor mijn ogen. Ik probeerde te focussen maar dat gaf me het gevoel dat ik behoorlijk dronken was.

Een kwartiertje later ging ik opzoek naar het toilet. Onvast lopend volgde ik de verwrongen bordjes ‘toilet’. Na het plassen waste ik mijn handen. Ik keek in de spiegel. En schrok. Mijn pupillen waren zo groot als mijn irissen. Ik had twee zwarte gaten in mijn hoofd!

Het onderzoek zelf nam niet lang in beslag. De oogarts bevestigde dat ik (te) droge ogen had. Hij gaf me druppels en een brief voor de reumatoloog. Ogen laseren raadde hij af. “Dan zit je straks de hele dag te druppelen,” zei hij.

Eenmaal buiten ging het focussen beter. Met een zonnebril op zag ik de omgeving redelijk scherp. Voorzichtig en niet helemaal zeker van mezelf reed ik naar kantoor. Voor deze grap hadden ze me wel eens kunnen waarschuwen zeg!

Op kantoor showde ik mijn ogen. Ik was de sight van de dag. “Pilletje op?” grapte een collega. “Jij krijgt geen koffie meer,” grinnikte een ander. Toen het nieuwtje eraf was gingen we allemaal weer aan het werk.
Het duurde tot ver in de middag eer ik weer normaal kon zien.

Luchtig

Ik hou het vandaag even luchtig.

Ik krijg namelijk de zenuwen van de site. (De redactie ook hoor, die zijn er druk mee bezig.) Ik hoop dat jullie inmiddels nog niet zijn afgehaakt. Het is vast een tijdelijk technisch probleem.

Vrouwonline heeft gewoon een herfstdip.

25 september 2007. 19.45 uur. Foto vanuit mijn achtertuin.

O, zit dat zó!

“Wat zullen we lezen?” vroeg ik Lizzy.

“Plop en de Kaboutersinterklaas” sprak ze. Ik trok een wenkbrauw op. Nu al?! Maar Lizzy wist het zeker. De Kaboutersint moest het worden. Ik dacht even na. Het leek me wat vroeg, maar waarom eigenlijk. De eerste speelgoedfolder was inmiddels binnen. En al vóór mijn verjaardag had ik pepernoten in de schappen gespot. Vooruit dan maar, mompelde ik. Als de supermarken al ‘vijf december’ gillen, dan kan die irritante kabouter met zijn rinkelende puntmutsmijter er ook nog wel bij.

Aldus begon ik te lezen. Kaboutersint zat met kabouterpiet op een groot wit konijn. Ze reden door de sneeuw en ze hadden een grote zak cadeautjes bij zich. Plotseling (o, hemeltje) trapte het konijn in een grote doorn en konden Kaboutersint en piet niet verder. Plopperdeplopperdeplop! Wat nu?

“Dat is geen echte Kaboutersint hoor,” zei Lizzy. Ze wees op de rinkelende puntmutsmijter. “O?” reageerde ik verbaasd, “wat is het dan wel?” (Drieëneenhalf en nu al afvallig?) “Het is gewoon een kabouter, verklééd als Kaboutersinterklaas.” “O,” zei ik weer, nu een beetje onnozel. “Hoe bedoel je dat?” Lizzy stak haar neusje in de lucht. “Nou gewoon,” legde ze uit, “het is niet de échte kaboutersinterklaas.” Ik keek zwijgend naar het plaatje van Kaboutersint en Kabouterpiet op het witte konijn. “En Kabouterpiet dan?” “Die is wel echt.” “Hoe weet je dat?” “Hij is zwart.”

Toen het boekje uit was – de goedheilige kabouter was overgestapt op een ooievaar (briljant) en had zo alsnog de cadeautjes kunnen afleveren – merkte ik dat de kwestie me toch niet helemaal lekker zat. “Lizzy, waaróm is dat dan een nep Kaboutersinterklaas?” vroeg ik.

“De echte Kaboutersinterklaas woont in Spanje,” luidde het antwoord “en Spanje is natuurlijk véél te ver voor een kabouter.”

PS, ben een paar daagjes weg, maandag (waarschijnlijk) weer van de partij.

Wie de schoen past…

Annabel was makkelijk.

We liepen ‘toevallig’ een schoenwinkel binnen en hé, wat een goed idee, schóenen kopen! Maar Lizzy was een ander verhaal. Die liep meteen naar de afdeling damesschoenen. Ze hield een fraai hooggehakt lakexemplaar omhoog. “Die wil ik.” “Dat kan niet schat,” glimlachte ik, “dat zijn mammaschoenen, de kinderschoenen staan daar. “Die wil ik niet. Die zijn stom.” Ach, zei ik, je hebt nog niet eens gekeken. Er staan een heleboel leuke. “Ik heb wél gekeken,” klonk het beslist, “ze zijn allemáál stom.”

Vier winkels verder had madame welgeteld één paar schoenen gevonden dat haar goedkeuring kon wegdragen. Uiteraard was haar maat uitverkocht. Ik zuchtte en mopperde dat mijn voeten pijn deden. We waren onderhand al de hele stad doorgelopen. Annabel had zich steeds goed gedragen, maar begon nu ook tekenen van vermoeidheid te vertonen. “Ach mamma, nog één winkel,” smeekte Lizzy. Mijn God, dacht ik, ik dacht dat ík kritisch was.

Uiteindelijk vond ze in de laatste winkel een soort cowboylaarzen. In haar maat. Met een klein hakje. “Mammalaarzen,” zei ze. Ze trok ze aan en wandelde er mee naar buiten. (Later bleek dat ze de passokken van de winkel zelfs nog aan had!) Ik slaakte een zucht van verlichting, betaalde en toog huiswaarts.

Thuis moesten de nieuwe schoenen natuurlijk metéén aan. Even buiten lopen. Even showen. Hup, veters vast, hakjes klakken, lopen maar.

En wat dóet dat tuig, met die nieuwe schoenen?

Juist. De zandbak in.

In de gloria

Het begon al goed.

Ongeveer vierhonderd keer mijn bed uit vannacht. Liz had weer eens besloten dat er een ‘nachtmerrie’ onder haar bed zat. Annabelletje werd wakker van Liz. Paul was ziek, maar wilde de volgende dag persé gaan werken. Hem liet ik dus maar liggen. Ik ging zelf wel.

Vanmorgen om zes uur was de aftrap. Annabelletje werd wakker; totaal niet uitgerust en met een humeur om op te schieten. Lizzy wilde niet douchen en gooide haar tanderborstel door de badkamer. Ze raakte Annabelletje. Toen ik even op ze mopperde (argument: ‘mamma is jarig, jullie moeten lief zijn!’) deed het addergebroed er nog een schepje bovenop door flink te gaan gillen. Op mijn tandvlees toog ik naar beneden.

Ik ben een sukkel. Ik ben ouderwets. Ik geloof in Sinterklaas. En in verjaardagen. Ik trek nieuwe kleren aan. Ik wil slingers, het liefst een versierde kamer. Al hangt er maar één ballon. Een briefje, een piepklein cadeautje (ondanks de afspraak om samen iets moois uit te zoeken). En ik wil het ‘s morgens. Naast een glaasje versgeperst sinaasappelsap. Maar Paul was al naar zijn werk. Net voor hij zichzelf praktisch drogeerde met paracetamol wenste hij me een fijne verjaardag (ik lag nog in bed) en verdween.

Ik heb zin om mezelf over te geven aan een huilbui, die opeens heel hoog lijkt te zitten. Maar dan besef ik dat er niemand is om de krokodillentranen te drogen. En dat huilen bij de kinderen misschien wel heel pedachaotisch overkomt.

Het wordt tijd de realiteit onder ogen te zien. Verjaardagen als moeder, en vooral als moeder van boven de dertig, zijn niet bedoeld als feest. Ze zijn als een dieet; het resultataat is meestal omgekeerd evenredig aan de verwachting. Het wordt tijd dat ik het accepteer.

Sinterklaas bestaat niet.

Hisss

Annabel is bijna veertien maanden.

Zoals ik al eerder schreef, sprak ze op vakantie haar eerste woordje: ‘eten’. En eten kán ze. Selectief als ze zijn, die kleintjes, kiezen ze hun eerste lievelingswoord met smaak .

‘Eten’ wordt inmiddels op de voet gevolgd door het begrip ‘uit’. ‘Uit’ gebruikt ze, te pas en te onpas, wanneer er een actie gewenst is. Met een priemend vingertje vult ze de rest in. Vinger richting bank en ‘uit’: “Ik wil op de bank.” Vinger omhoog en ‘uit’: “Ik wil opgetild worden.” “Ik wil naar buiten.” “Doe het traphek eens open!”

Vlak na ‘uit’ kwam ‘tattoe’. Eerst dacht ik dat ze een ambulance bedoelde, of een brandweerauto. Maar ze bleef maar naar het plakplaatje op haar armpje wijzen. En ineens begreep ik het. ‘Tattoe’ was ‘tatoeage’. “Beetje dubieus woord voor een kind van één,” zei ik tegen Paul. “Ach,” antwoordde deze, “het had ook ‘piercing’ kunnen zijn”.

Na ‘tattoe’ kwam er een hele tijd niets. Geen ‘pappa’, geen ‘mamma’, geen bal. Zelfs geen ‘koekkie’. Tot ze ineens op een plaatje van een vis wees en vrolijk ‘hisss, hisss’ riep. Sindsdien is het ‘hisss’ hier en ‘hisss’ daar. Ik moet altijd flink mijn best doen om de ‘hisss’ te vinden, want ineens blijkt dat je heel veel ‘hisssen’ in huis hebt. Meestal vind ik uiteindelijk de ‘hisss’ en dan prijs ik haar. “Wat goed, ja, dat is een vis!”

Vandaag echter snapte ik écht niet waar ze in godsnaam een ‘hisss’ zag. Ze bleef maar roepen, wippen en wijzen. “Hiss, hiss!” riep ze steeds dwingender. Ze wees naar de deur. “Wat bedóel je dan?” riep ik, “Ik zíe geen vis!” Op dat moment kwam Lizzy de kamer binnen. Annabel stond op, liep op haar zus af en priemde een klein vingertje in Liz haar borst. “Hisss,” zei ze geïrriteerd. Na een paar seconden viel het kwartje. “O, je bedoelt Líz!” riep ik opgelucht. Annabel keek me vermoeid aan. Ze zuchtte, ik zweer het je. Ze zúchtte gewoon.

“Dat zég ik toch,” zeiden haar ogen.