Copy-paste mamma?


Ik haalde mijn typediploma in de tweede klas van de middelbare school.

Sindsdien heb ik er elke dag plezier van. Ik heb zelfs eens strafwerk op de computer gemaakt (een commodore 16), voor scheikunde. Ik moest een hoofdstuk uit het lesboek overschrijven maar in die tijd tikte ik álles en met mijn vierhonderd aanslagen per minuut was ik zo klaar. De leraar keek een beetje raar op toen ik het inleverde, maar hij zei er verder niets van.
Later werd ik secretaris van een stichting en maakte ik elke week twee a drie sets notulen op de computer. En tenslotte ging ik stukjes tikken, waar deze en gene nog elke dag getuige van zijn.

Kortom, dat typediploma was een goede investering. Dus toen ik via de school van Liz de mogelijkheid kreeg om de Klets op te geven voor een typecursus, maakte ik snel een afspraak met een consulente. Liz is tenslotte copy-paste mamma, dus zij zou zo’n cursus zeker zien zitten. Ze zit al regelmatig achter de laptop en schrijft dan hele verhalen. Over haar klas, over meisjes van haar leeftijd en over dieren. Veel van die verhalen leest ze voor op school. Die treedt in mijn voetsporen, let op mijn woorden!

Liz zag uit naar de afspraak met de consulente. Ze had nu al zin om te beginnen, wat haar betreft konden we van start. Maar mamma wilde natuurlijk óók even het een en ander weten en dus zaten we gisteren naar een afgeplakt toetsenbord te staren.

“Zo leer je blind typen,” zei de consulente.
“Ik zie het,” zei Liz.
“Zit je wel eens achter de computer?”
“Ja hoor.”
“En wat doe je dan? Spelletjes?”
“Ik schrijf verhalen.”
De consulente keek Liz bewonderend aan. “Zo zo, dan wil je zeker schrijfster worden?”
Hierop schudde mijn dochter haar hoofd.
“Nee,” zei ze resoluut. “Ik wil geen schrijfster worden.”
“Waarom niet?” vroeg de consulte verbaasd.
“Nou gewoon,” zei Liz. “Dat is mamma al.”

Ik heb net mijn aanslagen per minuut gemeten, het waren er 450. 98 % accuraat. Wil jij ook testen? Hier kan hier (klik).

Artis

Ik heb gister toch zo’n bizar verhaal gehoord!

Het gaat over G. Een vriend van mijn lieve vriendin F. Deze G. werkt als vrijwilliger. Met verstandelijk gehandicapten. Eens in de zoveel tijd gaat mee als er uitstapjes met patiënten op het programma staan.

Vorige week ging de reis naar Artis. Aan het einde van de gezellige dag constateerde de groep dat één van de patiënten wel heel erg vies, nat en bemodderd was. “Ik kan hem zo niet terugbrengen,” had één van de vaste begeleiders gezegd. “Ik laat hem bij mij thuis even douchen.”

Hij nam de patiënt mee naar zijn huis en zette de man onder de douche. Terwijl de begeleider wachtte, zag hij de rugzak van de patiënt in de gang staan. En de rugzak bewóóg. “Nee, dat kan niet,” dacht de begeleider, maar na een tijdje bewoog de rugzak wéér.

De begeleider besloot poolshoogte te nemen. Hij opende de rugzak van de patiënt.

Er zat een pinguïn in!

Zwart gat

Ik loop me de hele ochtend al súf te piekeren.

Gisteravond, nét voor ik naar bed ging, schoot me iets te binnen. Iets waarover ik eens een stukje zou willen schrijven. Meestal ren ik dan meteen naar mijn tas, vis er een notitieboekje uit, en maak een paar aantekeningen. Maar gisteravond kwam dat er niet van.

Het had de hele avond katten én honden geregend. Vriendin N. kwam met de auto, maar was evengoed doorweekt. We dronken een kopje thee. Voor het eerst in dágen dronk ik weer wárme thee. Ik had de tuindeuren wagenwijd open. In huis was het nog steeds flink benauwd. Gefascineerd keken we toe hoe het watergordijn achter de tuindeuren af en toe uiteengereten werd door een schelle lichtflits.

Tegen half twaalf stopte de regen. N. vertrok en ik liep in de keuken. Ik was moe, maar nog niet toe aan mijn bed. Je kent dat wel. Ik schonk een gintonic in en ging nog even op het balkon zitten. Na het gebulder van het onweer en de regen was het merkwaardig stil en donker. Een koel briesje waaide langs mijn blote benen. Het was heerlijk daar op dat balkon.

En op dat moment schoot het me te binnen. Dat ene, waarover ik dat stukje zou gaan schrijven. “Morgen,” dacht ik, “morgen is dát het eerste wat ik doe.” Ik ging naar bed, trok de klamboe dicht en las nog een klein stukje in de nieuwe Nicci French. Daarna zakte ik weg in een diepe slaap, zoals altijd wanneer ik tevreden ben over mezelf.

Maar vanochtend was het weg. Gewoon verdwenen. Ergens tijdens de middernachtelijke uren moet het eruit gesijpeld zijn. Misschien via een oor of zo. Dat zou natuurlijk kunnen. Dan zit het nu in mijn kussen. Of misschien heeft een mug het eruit gezogen. Die basterds vliegen nog regelmatig door één van de gaten in de klamboe naar binnen. Paul kwam om half twee thuis. Ik weet nog dat ik met hem heb gepraat. Misschien heb ik het hem toen wel verteld, waarover ik zou schrijven, en was ik het daarmee zélf kwijt. Of ik heb het stukgedroomd. Dat kan natuurlijk ook.

Ik weet het niet. Aan Paul kan het in ieder geval niet vragen; die is boodschappen doen. En zelf ben ik het helemaal kwijt. Het spijt me, het is gewoon weg. Echt weg.

Geen stukje dus vandaag.