Piemels zijn niet van gisteren, maar …

’s Werelds oudste penis zit vast aan een gefossiliseerd mosselkreeftje van 425 miljoen jaar oud. Hij gaat dus al een tijdje mee, onze ‘willy’.

Toch werd de penis pas gemeengoed toen de dieren aan land gingen, zo’n 340 miljoen jaar geleden. ‘Het eitje’ trok zich – door de veranderende omstandigheden – steeds verder in het lichaam van het vrouwtje terug en ja, hoe bereik je als mannetje dan je doel?! Inderdaad, met een piemel!

Niet van gisteren

Piemels zijn dus niet van gisteren, maar ze zijn er ook niet altijd geweest. In het water waren ze niet nodig, behalve bij sommige gepantserde dieren, die elkaar noodgedwongen ‘op afstand’ hielden. Wist je niet hè? En wat je misschien óók niet weet:

Inktvissen hebben geen piemel maar een ‘paringsarm’. (Inktvis *hartje* fistfucking?)

Tuimelaars (ja, die schattige beestjes!) hebben een piemel hebben die kan… ruiken. (En hij ruikt… vis!)

De piemel van de Japanse zwaluwstaartvlinder kan … zien? (Die kant op, díe kant!)

De penis van het vijverdwergduikertje (we vinden hem op de bodem van vijvers, plassen en vennetjes) zíngt om de aandacht te trekken. (“O sole mio!”)

Een krokodillenpiemel ziet er opvallend menselijk uitziet. (Zijn gebit een stuk minder!)

Juffers (soort libellen) hebben een pik als een middeleeuws martelwerktuig: vol weerhaken, scheppen en tangen om het vrouwtje in bedwang te houden en het sperma van een mogelijke voorganger te verwijderen. (SM Juffer?)

De muskuseend heeft een veertig centimeter lange kurkentrekker penis. (Handig. Kan je tijdens de daad een flesje wijn opentrekken!)

Deze schiet met wel 120 km per uur uit zijn cloaca. (Wow!)

De stoere gorilla heeft een penis heeft van slechts drie centimeter. (Dat gebrul is pure onzekerheid.)

De zeepok heeft naar verhouding de langste. 22 centimeter, zijnde dertig keer zijn eigen lichaamslengte! (Zeepok specialist in lange-afstand-relaties?)

De blauwe vinvis heeft de grootste. Zo’n 2,5 meter! (Wil ik niet eens aan dénken!)

Mannelijke fruitvliegjes hebben gif in hun sperma. Dit doodt andermans zaad en maakt de vrouwtjes zo misselijk maakt dat ze geen zin meer hebben in seks met ander mannetjes? (Daar mag de Stichting Huiselijk Geweld ook wel eens op af!)

Veel reptielen zijn uitgerust met een hemnipenis, een gesplitst geslachtsdeel waarvan ze de linker- en rechterhelft afwisselend kunnen gebruiken. (Iene, miene, mutte…)

Een hemnipenis komt een enkele keer ook voor bij mensen (handig als wilt sandwich-en…  althans, denk ik).

Deze en andere leuke wetenswaardigheden op het gebied van paren en alles wat daarbij komt kijken, vind je in het boek “Het Beest in Ons” – liefdeslessen uit het dierenrijk van Dagmar van der Neut.

Meer lezen? Op www.esthervuijsters.nl ga ik verder met het testen van de Airfyer!
De foto is van de Japanse zwaluwstaartvlinder en ik vond hem hier.

(Kinder)feestjes


Man,man, man, die kinderfeestjes worden toch ook steeds leuker he?!

Waren wij – de dertigers van nu – vroeger al blij als we zelf onze feestmuts mochten versieren, (ook leuk hoor, daar niet van) worden die kinderen tegenwoordig gewoon al zingend gewoon de catwalk opgestuurd.

Neem nou dit feestje, een topmodellenfeest, waarbij een complete fotoschoot is gemaakt, geweldig toch? Eerst mochten de kinderen zich uitleven in de verkleedhoek (Liz scoorde meteen een paar pumps met hakken van vijf centimeter), daarna werden ze gekapt en gepimpt (inclusief nagels) en tenslotte volgde een workshop ‘poseren’.

Ik stond erbij en keek er naar. Of eigenlijk, ik stond erbij en kwijlde erbij. De eigenaar van de studio gaf me zijn kaartje en fluisterde: “We organiseren ook glamourparty’s voor grote meisjes hoor.”

Help me even, wanneer ben ik ook alweer jarig?

De fietser

Ik heb een fietser aangereden.

Zomaar. Omdat ik niet goed keek. Ik kwam terug van schildercursus en had net vriendin C. thuis afgezet. Ik moest stoppen voor een rotonde. De bestuurder van de auto vóór me had zijn verrekijker op. Hij wachtte op een auto waar hij wel zés keer voor langs had gekund. Ik ergerde me.

Toen hij eindelijk doorreed, trok ik meteen op. Ik keek naar links en links was vrij. Ik vergat naar rechts te kijken. En dat was dom. Sowieso, want fietsers kunnen altijd van alle kanten komen, maar dít was ook nog eens een tweerichtingsrotonde. Niemand reed hard. De fietser was óók gestopt. Niettemin was de aanrijding goed hoorbaar.

Terwijl ik uitstapte zag ik twee motoragenten aankomen. Als ik niet zo was geschrokken had ik erom kunnen lachen. Gelukkig had ik alles bij me. Autopapieren, rijbewijs, schadeformulier. Dat laatste was niet nodig. Er was geen schade.

“Het kan iedereen overkomen,” zei één van de agenten vergoelijkend toen de fietser was weggereden. Over die zin dacht ik nog lang na. Het kan iedereen overkomen. Klein hoekje enzo.

Maar wat nou als … of als … Ook dát kan dus iedereen overkomen.

Mini-Esther

Het was ‘kijkdag’ in het zwembad.

Een uur lang mocht ik de zwemvorderingen van mijn dochter volgen. Ze deed het geweldig. “Super, je zwemt al bijna hélemaal zelf!” “Wat kan jíj goed rugzwemmen!” De badjuf moedigde haar aan. De badmeester gaf complimentjes. Opgetogen was ik. Glunderend zat ik erbij. Wat was ze goed! Ik zwééfde bijna boven mijn plastic stoeltje.

Tot ik opeens weer met beide benen op de (natte) vloer werd gezet. Ergens achter in het zwembad had mijn meisje het aan de stok met de juf. Waarover was me niet helemaal duidelijk. Totdat ik opeens luid en duidelijk hoorde;

“Liz, houd je kwébbel nou eens dicht!”

Oeps. Hoe herkenbaar.

Stieren-wáát?!

Knikkeren is jeugdsentiment.

Eéntellers, chineesjes, allestellers, wie herinnert ze zich niet. Die grote glazen stuiters, die je zo’n rijk gevoel konden geven. En die je soms zo ongelukkig maakten. Wanneer je er één was verloren.

Ik was opgetogen toen Liz over knikkers begon. Ondanks de ‘verliezen’ had ikzelf met name góede herinneringen aan de ‘knikkertijd’. Altijd mooi weer, de lentebloesems in bloei. Buiten ‘potje wagen’ of op een bikkel ‘mikken’. Superspannend!

En ik zag er niet veel kwaad in. Mijn meisje mocht heus wel een paar stuiters mee naar school. Is toch hartstikke schattig, van die knikkerende kleuters?! Bij Blokker kocht ik een zakje groene ‘jungles’. Had ze zelf uitgezocht. Bij de kleintjes zat een heel grote bonk.

“Zeg, hoe heten die grote dingen nou?” vroeg ik aan het jochie naast me. Hij wierp een blik op mijn hand. “O die,” zei hij, terwijl hij zijn schouders ophaalde.

“Dat zijn stierenkloten.”