Coca Cola light-break

Ik heb nieuwe vrienden.

Het zijn de mannen van de straat. Elke ochtend staan ze in hun oranje vesten te ploeteren. Ze scheppen, graven en drillen. Zo nu en dan wissen ze met een vermoeide blik het zweet van hun voorhoofd. Om beurten besturen ze één van de twee grote grijpmachines.

Ik heb een band met ze opgebouwd. Sinds ik vorige week met een grote bos bloemen naar Lizzy’s afzwemmen vertrok – en een van de helden opmerkte ‘dat ik dat niet had moeten doen’ – is het ijs tussen ons gebroken. “Jongens, daar komt onze vriendin aan!” roepen ze wanneer ik langs wandel.

Vanochtend was de riolering aan de beurt. Terwijl ik niets vermoedend stond te douchen werd er aangebeld. “Mamma, je moet onder de douche uit,” kwam Lizzy vertellen. “De meneren buiten hebben er last van.” Door de open deur hoorde ik geschreeuw. “Kappen met douchen,” riep er een. “Ik verzuip hier godverdomme bijna!” “Verderop zit er ergens een te schijten,” mopperde een ander.

Even later verliet ik de woning om de kinderen naar school te brengen. Voor de deur gaapte een enorm gat. Eén voor één tilde ik de kinderen er over heen. Toen ik zelf wilde springen rende één van de mannen op af. “Ik geef u wel een hand, we willen niet dat u valt.” Heel galant hielp hij me naar de overkant.

Later thuis heb ik ze koffie gegeven. Ruwe bolsters hebben blanke pitten. En die moet je koesteren.

De reactiemogelijkheid doet het weer.