Van de regen in de drup


Paul en ik voeren dezer dagen een heel gezonde discussie.

Dat wil zeggen, we praten over de mogelijkheid om mijn auto niet te vervangen (hij is waarschijnlijk total loss, mijn auto). Laten we eerlijk zijn, fietsen is gezond en auto’s zijn dat niet. Ik fiets sowieso al regelmatig naar mijn werk en nu de kinderen wat groter zijn (lees: niet langer mijn fiets belasten) verplaatsen we ons ook zonder auto relatief gemakkelijk.

Paul heeft een goede auto en wanneer we – bijvoorbeeld – een elektrische fiets zouden kopen (zodat hij ook af en toe op de fiets naar zijn iets te ver weg-werk kan), zou ik de auto kunnen nemen wanneer ik hem nodig heb voor mijn werk. Naar de ‘grote steden’ ging ik trouwens toch al nooit met de auto want ik ben eigenlijk een bange schijterd wat autorijden in de stad betreft. Ik raak al in paniek als ik een trambaan zie.

Het enige nadeel van zo’n beslissing is natuurlijk: het weer. Ik vind alles best, ik fiets me gerust de tandjes, ALS HET MAAR NIET REGENT. Als het regent spoelen mijn goede voornemens de put in en heb ik plots een stuk minder compassie met het millieu. Ik vind dat ik nu écht te oud ben om de hele dag met een natte broek aan op mijn werk te zitten. Vroeger, bij wiskundeles, kon ik het nog wel velen, maar nu ik de veertig nader heb ik daar gewoon géén zin meer in.

Dus toen ik vanochtend opstond en de regen op de ramen hoorde roffelen was ik acuut chagrijnig. Ineens leek die elektrische fiets een stuk minder aantrekkelijk en moest ik bijna huilen om mijn lieve, lieve groene Peugeotje dat naar nu eenzaam en ingedeukt bij de garage zijn lot stond af te wachten. Misschien moest ik die expert nog maar eens bellen en zorgen dat hij rap toestemming zou geven om alsnog mijn auto te laten maken.

Weemoedig keek uit het raam. Pijpenstelen. Natte straten, overal plassen, loodgrijze lucht. Ik zag mezelf al ploeteren en druppels van mijn neus blazen. Hoe treurig. Het enige, bedacht ik, het enige goede nieuws was een leuk blogje. Als ik – nog nadruipend van de hoosbui – op kantoor zou zitten dan zou ik een blogje schrijven over hoe zielig ik was in de regen en hoe de maskara tot halverweg mijn kin was gedropen. Ha, dat zou me een mooi verhaal worden.

Alweer wat vrolijker ging ik aan de slag. Boterhammen voor de meiden, haartjes kammen en voor we het wisten waren we een half uur verder en was het tijd om te gaan. Ik pakte mijn tas en, wat was dat nou, het regende niet meer! Sterker nog, er kwam zojuist een waterig zonnetje tevoorschijnt! Ik had mijn fiets nog niet uit de schuur gehaald of het was stralend weer. Geen druppel te bekennen, alleen wat cumuluswolken en na vijf meter fietsen had ik het al warm!

Mooi was dat, mopperde ik tegen mijn fiets. Daar gáát mijn blogje. Daar gáát mijn lollige verhaal over een druipende Esther die stopt bij de garage om om kwart voor negen ’s ochtends een nieuwe auto te kopen.
Schijnt gewoon de zon.
Belachelijk.

Waarom zit dat weer ook altijd tegen in Nederland?!
Getverdemme!

Overleef-tijd

“Weet je wat ík heb de laatste tijd,”

Ik breng mijn gezicht dicht bij dat van vriendin I. Alsof ik iets ga vertellen dat niemand anders mag horen. Het feit dat we – met zijn tweeën – in haar huiskamer zitten heeft hierop geen invloed

“Nou?”
“Ik vergeet steeds hoe oud ik ben.”
“O? Want, je bent nu?”
“Eh… Zevenendertig. Of ben ik nou achtendertig. Kijk, dat bedoel ik nou.”

Vriendin I. neemt een slokje wijn en fronst haar wenkbrauwen. Ze lijkt te overwegen met een diagnose te komen. Vroege dementie, vrees ik.

“Uit welk jaar ben je?”
“1973”
“Dan ben je zevenendertig.”
“O. O ja. Maar heb jij dat dan nooit?”

Vriendin I. schudt haar hoofd. “Nee.”
“Maar jij bent vierenderig, volgens mij begint het rond je vijfendertigste. Wanneer word jij vijfendertig?”
“Tien december.”
“Wedden dat jij het dan ook krijgt?!”

Vriendin I. kijkt me aan met een blik die ‘jeah right’ lijkt te zeggen. Ze gelooft er niets van, ik zie het aan haar ogen.

“Dan sta ik elf december bij je op de stoep.”
“Want?”
“Dan kom ik vragen hoe oud je bent.”

PS
Ik had vandaag natuurlijk ook kunnen bloggen over de ruzie ik vanochtend (weer!) had met Lizzy. Over hoe ontevreden ze is de laatste tijd, hoe boos en hoe ze ’s ochtends echt het bloed onder mijn nagels vandaan haalt door overal commentaar op te hebben, vooral op het feit dat Annabel veel meer mag dan zij en dat zij nooit wat mag. Dat ik maar niet snap waarom ze zo doet en hoe gek ik van haar gedrag word.
En hoe ik, terwijl ik echt probeerde het te voorkomen, mijn geduld verloor, een bakje kapot gooide, schreeuwde en volkomen uit mijn dak ging (waarbij ik afwisselend enorm boos en vreselijk schuldig voelde). Hoe we het uiteindelijk vlak voor ze de klas ingang weer goedmaakten maar hoe we toch met een rotgevoel uit elkaar gingen. En dat ik vervolgens op kantoor ongeveer in huilen uitbarstte over het feit dat ik nu al het grip op mijn kind verlies (en dat terwijl ze pas acht is) en dat ik mezelf zo’n slechte moeder voel.
Maar goed. Bloggen over een gezellig avondje met vriendin leek me een stuk gezelliger.

Kerstkilo’s

Voor het eerst in mijn leven ben ik Kerst slanker uitgekomen dan ik er inging.

Dat zit zo, op Kerstavond gingen we met ons gezinnetje uit eten. Dat was superheerlijk en erg gezellig maar ’s avonds kreeg ik last van mijn maag. ’s Nachts werd ik misselijk en de volgende ochtend was ik gelijk een vaatdoek.

Toch was ik niet vreselijk ziek.
Een beetje moe alleen. En duf. En ik moest écht niet aan eten denken. Het kerstontbijt, de kerstkoffie (met schuimkoekjes), de hapjes en het diner, ik sloeg alles over. Maar gezellig was het wel, zo met z’n allen bij mijn ouders.

Tweede kerstdag had ik nog steeds geen enkele behoefte aan eten. Zonder problemen liep ik voorbij de saucijzenbroodjes, de chocoladetaart en zelfs de kerstkransjes. Het was wederom een gezellige dag en ’s avonds kookte ik een kerstdiner want vriendin M. kwam eten. Dat was leuk en het lukte nog ook. Voorzichtig at ik een paar hapjes en dronk ik een glaasje wijn.

Gisteren ging ik naar de film met vriendin M. en de meiden; Dik Trom (best toepasselijk zo na de kerstdagen). We speelden chocoladescrabble maar nog steeds kon de chocolade kon me niet bekoren. Wat over was van het kersteten gaf ik weg. ‘s Avonds maakte ik een soepje.

En nu ben ik aan ’t werk en ik heb net een boterhammetje gegeten. Dat smaakte prima na al die dagen onthouding. En waar ik me normaal volgepropt voel na de Kerst (ik ben niet zo goed in matigen) voel ik me nu best lekker en heul slank. Oud en nieuw-feest, here I come!

Doe mij dit ‘virus’ nog maar een tijdje.

De vis wordt duur betaald

Het spelletje gaat werkelijk nergens over.

Rijtjes van drie maken op de Nintendo, dat is alles. Drie diamantjes, drie steentjes, drie munten. Drie, drie drie. Wie ‘Bejeweled’, ‘Cradle of Rome’ en ‘Jewel Quest’ wel eens gespeeld heeft, weet wat ik bedoel. Speel alle vakjes ‘open’ en ga je naar een volgend level. Simpel en verslavend.

Hier in huis zijn we momenteel into Fishdom, een drie-op-een-rij spel met zeesterren, kwallen en octopusjes. Fishdom is Duits maar dat maakt het spel niet minder leuk; je speelt namelijk om geld. En met dat geld kan je vervolgens leuks kopen voor ‘jouw’ interactieve aquarium. Hoe meer geld, hoe duurder je vissen en hoe mooier het aquarium.

In het begin hadden de kletsen nog wel het geduld om zelf levels te halen. Zaten ze samen op de bank, na het behalen van een monsterscore, een mooie vis uit te zoeken. Maar naarmate het spel moeilijker werd, en ze vaker achter het visten, nam de frustratie toe. (Ze hebben wel hun eerste Duitse zin geleerd: “Du hast verloren!”). Om een lang verhaal kort te maken, bij level dertien haakten ze definitief af.
En toen riepen ze hun vader.

“Ach,” zei Paul toen hij mij bedenkelijk zag kijken. “Als ik ze nou af en toe wat help met een leveltje, dat gééft toch niet?!”
Nee.
Maar ondertussen zat hij uren op de bank met zijn neus boven de Nintendo, terwijl de rich bitches zich met de voortgang bemoeiden. “Pappa, heb je nou al geld voor ons verdiend?” “Kunnen we nu die mooie vis kopen?” En als hij dan uiteindelijk, duidelijk vermoeid, de DS aan de meiden teruggaf, waren ze na twee minuten alweer door het geld heen.

“Op,” riep Lizzy, terwijl ze met een nonchalant gebaar de DS aan Paul teruggaf. “Haal jij nog een paar levels?”

Gisteravond lag ik al bijna te slapen toen ik naast me opeens geblieb en geblubber hoorde. Ik draaide me om en zag, ter hoogte van Pauls kussen, een flauw blauw schijnsel. “Wat ben je aan het doen,” vroeg ik verbaasd. Het antwoord had ik natuurlijk kunnen raden: “Geld verdienen, voor de meiden.”

Vanochtend was het geld alweer op nog voor de cornflakes op tafel kwamen. “Jammer hé,” hoorde ik Lizzy zeggen. “Ja,” knikte Annabel. “Pappa had ook niet veel verdiend!”
Grinnikend schonk ik mezelf een kop koffie in.

We hadden ze Paris en Nicole moeten noemen.