Eet je mooi


Wij zijn thuis in de ban van “Eet je mooi”.

Dat komt er hierop neer: we eten gezond, letten er vooral op dat we veel verschillende soorten groente en fruit eten en baseren ons hierbij op het onlangs verschenen boek “Eet je mooi in 28 dagen” van Inge de Munnik. Het mooie aan dit boek is dat de nadruk ligt op móói en niet op slank. Mooie nagels, mooie haren, mooie huid. (En stiekem toch een beetje lijnen.)

De kinderen vinden het een leuk project – eten om mooi te worden, dat is pas vet – en vragen bij alles of het ‘onder eet je mooi valt’. De spekkies zijn de deur uit en we hebben bij de biologische winkel honinglolly’s en mueslikoekjes gekocht. Als ware zendelingen dragen de meiden ons nieuwe geloof uit.

“Wortels zijn goed voor je ogen!”
“In deze lolly zitten alleen natuurlijke suikers.”
“Water is beter dan limonade hoor.”

In de buurt worden de dames inmiddels “De Sonja Bakkertjes” genoemd en ik geef toe, misschien nemen ze het iets te serieus. Maar ach, “Eet je mooi” is gewoon een mooie manier om de neuzen weer in dezelfde (gezonde) richting te krijgen. Af en toe is het best nuttig om eens kritisch naar de inhoud van je keukenkastjes te kijken.
De recepten in het boek – dat moet gezegd worden – zijn (bijna) allemaal bijzonder smakelijk . Tenminste, dat vind ik. Paul daarentegen vindt dat er onderhand wel weer eens een lekker schnitzeltje op tafel mag komen. Hij is ook enthousiast hoor, daar niet van. Maar we moeten natuurlijk niet overdrijven.

“Zeg,” begon hij terwijl hij het bord vegetarische minestronesoep dat ik voor hem had neergezet bestudeerde. “Hoelang duurt die macrobiotische bui van jou nog?”
“Dat is niet macrobiotisch,” zei ik beledigd. “We doen “Eet je mooi”, weet je nog?”
“O ja,” zei hij. Met zijn lepel viste hij een paar volkoren elleboogjes uit de soep. “En wanneer gaan we “Eet je lekker” doen?”

Rugpijn


Met mijn hand op mijn rug strompel ik het kantoor binnen.

“Zo,” zegt mijn broer, “gaat ‘t?”
Ik schud mijn hoofd en ga met een van pijn vertrokken gezicht achter mijn bureau zitten.
“Ik heb ongelooflijk pijn in mijn rug,” zeg ik.
“Heb je een verkeerde beweging gemaakt?” Mijn broer kijkt me bezorgd aan terwijl hij een kop koffie voor me inschenkt.
Ik schud wederom mijn hoofd en leg uit dat ik een nieuwe hobby heb. Eentje waarbij ik te lang krom heb gestaan heb. Vooróver gebogen krom wel te verstaan.
“Nou ja, hóbby,” zeg ik. “Het is meer een soort verslaving.”

Mijn broer is reuze benieuwd wat die nieuwe hobby/verslaving is, waardoor ik nu niet meer rechtop kan staan.

Jullie ook? Raad maar. En nee, het heeft niets met seks te maken (ik zal jullie even voor zijn) en ik was niet naakt tijdens het uitoefenen van mijn nieuwe hobby (dit naar aanleiding van de foto).

Bij tijd en wijle

De (werk)dag begon met een leuk telefoongesprek.

“Aha!” zei de beller, “U moest ik net hebben!”
“Komt dat even goed uit,” reageerde ik.
“Ja, uw collega zei al dat u er vandaag weer zou zijn!”
“Mooi is dat hè, dat ik er dan ook echt ben!”
“Nou zeker! Dan is mijn dag weer goed!”

Het was een erg leuk gesprek waarin de beller aangaf dat hij vrolijk van mij werd.
Dat had ik wel even nodig, want gisteren ontving ik een e-mail van iemand wiens dag ik had verpest. Dat zat zo, die iemand van die mail, die wilde iets wat bij ons niet kon. En daar was hij boos over. En hij was vooral boos op mij want ik had gezegd dat het niet kon.
Tja, je kunt het niet iedereen naar de zin maken.

Vlak voor dat mailtje had ik iemand gesproken die juist heel blij was met mij. Die vond me ‘een engel’. En zo ben ik ook wel eens ‘schat’, ‘lieverd’, en ‘topwijf’ genoemd. Maar, daar staat tegenover dat ik ook een ‘bitch’, ‘trut’, en ‘querulant’ ben. Dat laatste moest ik even opzoeken in het woordenboek voor de precieze betekenis. Echt positief is het niet. Maar goed, dat soort dingen gebeurt.

Een klant stuurde me eens een bos bloemen, de dag daarna kreeg ik een brief van een advocaat die met een rechtszaak dreigde. Ik kreeg chocolaatjes, complimenten en zelfs eens een huwelijksaanzoek (oké, dat was een grapje, maar toch). Daar staat tegenover dat ik ook wel eens boze brieven ontvang en lelijke mailtjes. Gelukkig niet zo vaak, maar lelijke dingen blijven vaak langer hangen dan leuke.

En bij tijd en wijle denk ik daar dan over na.

Een engel of een querulant.
De waarheid zal wel in het midden liggen.
(Maar stiekem hoop ik toch dat de waarheid meer richting engel ligt!)

En jij? Wat is het gekste, leukste of vervelendste dat jij hebt meegemaakt op je werk?

Het medaillon

Het is alweer ruim een jaar geleden dat mijn oma overleed.

“Mag ik haar medaillon,” had ik destijds gevraagd. “Dat zilveren, met die Franse versiering.” Dat medaillon, dat was heel erg oma. Vroeger maakte ze het altijd voor ons open, zodat mijn broertje en ik erin konden kijken. Open en dicht. Het maakte een heel bijzonder geluid. Iets tussen klik, krak en plok in. “Alsof je een stukje chocolade van een reep afbreekt,” zeiden mijn broer en ik.

Mijn moeder en mijn tante wisten eigenlijk niet zo goed wat ik bedoelde. Medaillon? Had ze een medaillon dan? Blijkbaar was het medaillon vooral fascinerend geweest voor de kleinkinderen. En nu wist niemand meer waar het was gebleven.

Een paar dagen geleden kwam het medaillon, tot mijn grote vreugde, boven water. Mijn moeder had het gevonden. Het had in een doosje gezeten. En dat doosje zat in een laatje van een kistje. Dat kistje stond in een kast en die kast was een troep. Zo gaat dat.

“Het is een vies ding hoor,” zei mijn moeder. “Maar als je nog wilt, dan mag je het hebben.” En vies was het. Bijna zwart. Plakkerig van het vuil en met een kapot kettinkje. Ik maakte een badje van sodawater met aluminium en poetste met zilverpoets. Ik verving het kettinkje.

Vóór ik het omhing deed ik er twee foto’s in. De haarlok van mijn moeder – die er al in had gezeten – stopte ik achter Lizzy’s foto.

De Kletsen vinden het medaillon fascinerend. Steeds weer moet het open en dicht. Net als vroeger. “Het maakt zo’n grappig geluid als je dicht klikt,” zei Lizzy vanochtend. “Ja hè,” knikte ik. “Net of je een stukje chocolade van een reep afbreekt.” De Kletsen knikten instemmend. Precies. Zo klonk het.

Oma, mijn moeder, ik en mijn dochters. Vier generaties samen in één zilveren medaillon.

Mooi hè?

Merel Roze

Gisteren heb ik Merel Roze in ’t wild gezien.

Een vreemde openingszin?
Dat is een bewuste keuze. Een openingszin moet namelijk prikkelend zijn. Dat heb ik gisteren, tijdens de workshop Columns & Blogs schrijven, geleerd. En (het beeld van) Merel Roze in het wild, dat leek me best prikkelend.

U bent er nog? U lees nog mee? Goed. Dan was mijn openingszin geslaagd. De workshop Columns & Blogs is onderdeel van de Summerschool van De Redactie (bureau voor tijdelijke en blijvende redactiekracht in Monnickendam). Het zat er al een tijdje aan te komen. Dat Merel en ik elkaar ergens zouden ontmoeten. Onze wegen kruisten elkaar voortdurend. (Ze zat bijvoorbeeld in de jury van de Dutch Bloggies.) Echter tot nu toe uitsluitend digitaal. De workshop (of eigenlijk: een complete feestdag inclusief appeltaart) was een goede (en voor mij leerzame) aanleiding voor een live-confrontatie.

De workshop duurde een dag. Lunch was geregeld en na afloop volgde een borrel. We analyseerden columns (wie vinden we leuk? Wie lezen we?), bespraken populaire blogs en stoeiden met begin- en eindzinnen. Leuk. Leuk. Leuk. Die drie woorden vormen mijn samenvatting van de dag. En van Merel. Online vond ik haar al geslaagd. In het wild is ze minstens even leuk.

Opgestaan

En gróótste Ei was ik natuurlijk.

Een uitgebreide brunch (die, nadat iedereen gearriveerd was, meer een brinner werd) en ík was vergeten witte wijn te kopen. Alles was er. Paasbrood, quiche, sap, geschilderde eieren. Maar geen lekker koud wijntje.

“Dan maar champagne,” zei Paul, en dook de kelder in. Snel ruilde iedereen zijn of haar drankje in. Appelsap was best, champagne beter. En dus toastten we op Pasen. Op vrienden, familie en op de naderende bruiloft (mijn broer en schoonzusje). En vooruit, nu we toch bezig waren, op de Wederopstanding.

De bubbeltjes stegen snel omhoog. Gaven de dag een gouden randje. Lizzy zocht paaseieren in de tuin. Annabel kroop over de vloer, opzoek naar flintertjes chocolade. Overgrootoma vertelde over háár bruiloft en ik sneed nog wat meer stokbrood.

Iedereen lachte. Overal hingen flarden van gesprekken. Paul, mijn broer en mijn vader stonden in de tuin. Ik keek vertederd naar overgrootoma met Annabel op schoot. Mijn schoonvader speelde verstoppertje met Lizzy. Het was Pasen, zoals Pasen hoort te zijn. Vrolijk, gekleurd en lenteachtig.

‘s Avonds haalde Paul nóg een fles champagne uit de kelder. “Soms moet je gewoon vieren dat je leeft,” zei hij. “Eén fles, is geen fles, twee fles is een halve fles, drie fles is een Páásfles!” zong ik. “Laat die Paasfles maar zitten,” zei Paul “anders wordt het héél lastig opstaan morgen denk ik.”

“Ach,” mompelde ik met mijn mond vol bubbels, ” ‘t lukt Jezus ook elk jaar weer.”