Kiekeboe!

Er was niemand.

Alleen rijen rode postbussen. Mijn voetstappen klonken een beetje hol. Nummer 515 moest ik hebben, ik was er bijna.

Het was nog vroeg.
Ik verlangde naar mijn kantoor en naar koffie. Ik passeerde postbus 443, 435, 436. Nog één rij verder. Ik gaapte. De gaap begon als een klein gaapje (zo’n soort stuiptrekking waarbij je slechts je mond ietwat vertrekt) maar hij groeide als snel uit tot een zogeheten monstergaap. Ik maakte er zelfs een geluid bij. “Oewwwaaaah.” Maakte niet uit. Ik was alleen.

“Zo zo,” klonk het opeens. “Moeite met de vroege ochtend?” Verschrikt draaide ik me om. Ik wist dat ik een grote fantasie had, maar hoorde ik nou ook al stemmen? Er was niemand. De gang was leeg. Postbus 501, 502, 503, wie had er gesproken?

Het geluid kwam uit de buurt van postbus 515. Ik zag nog steeds niemand. Vlug stak het sleuteltje in het slot. Wegwezen hier, dit postkantoor was behekst.

Ik zag hem pas toen ik mijn hand in de postbus stak; een rechthoekig stuk gezicht met blauwe ogen. Hij legde net een brief in postbus 515 en keek me geamuseerd aan.

“Kiekeboe!”