Suiker is ook behoorlijk uncool


“Ik moest mijn darmen helemaal stilleggen.”

Vriendin E. is net terug van haar weekje detoxen in Portugal. Heerlijk was het, zegt ze. Volgend jaar gaat ze weer. “Heerlijk?” reageer ik verbaasd. “Betalen voor een vakantie waar je niets te vreten krijgt?! Niet mijn idee van heerlijk.”

Vriendin E. biedt me een van haar zelfgemaakte bonbons aan. Er zit geen suiker in, zegt ze, ze zijn gezoet met dadels en ze zijn vetarm. Ze heeft kokosolie gebruikt. En noten. Ik moet een beetje wennen aan de smaak maar eerlijk is eerlijk, de bonbons smaken niet slecht. Integendeel! Wanneer E. sereen in haar thee roert, pak nog gauw even een chocolaatje.
“Het is wél heerlijk,” zegt E. “Echt, je wordt van A tot Z vertroeteld en je komt er helemaal Zen vandaan.”

Ik schrik er altijd een beetje van als mensen zo gezond doen. Ik ben daar zelf niet zo goed in. In gezond doen. Ik vind het al heel Zen van mezelf dat ik tegenwoordig ’s avonds vaak een kopje kruidenthee neem, in plaats van een glas wijn. Of dat ik op de fiets ga in plaats van met de auto. Maar aan de andere kant, die massages waar E. het over heeft, en die yogalessen, die klinken wel goed. En ik moet toegeven, ze ziet er fantastisch uit. Slank, strak en stralend. Zelfs haar haar glimt. Misschien is dat detoxen toch zo gek nog niet.

“Ik bouw nu heel langzaam de koolhydraten weer op,” zegt E. Ach, denk ik (mijn gedachten reeds halverwege Portugal), koolhydraten, who needs them?! Koolhydraten zijn zó tweeduizend nog wat. En suiker eet ze nog steeds niet. Nou ja, suiker is ook behoorlijk uncool natuurlijk. Dat kan ik wel missen. En alcohol ook, sinds ik aan het lijnen ben drink ik sowieso een stuk minder. “En natuurlijk drink ik al maanden geen koffie meer.”

Wat?! Hoorde ik dat nou goed? Geen kóffie meer? Géén ‘aromatische, donkerbruine drank gebrouwen van de geroosterde en gemalen of gestampte boon van bijvoorbeeld de Arabicaplant?’ E. knikt. Geen koffie. Dus ook geen bakkie troost op moeilijke momenten? En geen lekkere latte met romige opgeklopte schuimkraag, krachtige cacao-cappuccino of een pittige espresso? Detoxen = yoga = massage = geen koffie??!

Aju.

Een timbaaltje?


Ik ben nog niet binnen of ik krijg een glas wijn over me heen.

Witte wijn weliswaar, maar toch. Ik sta er weer gekleurd op. En aangezien ik nergens servetten zie, droog ik mezelf (en mijn nieuwe jurkje) maar een beetje af met het tafelkleed dat over een of ander chique hoektafeltje ligt. Op dat moment komt de eigenaar van het restaurant binnen. “Gaat het, mevrouw?” vraagt hij, met opgetrokken werkbrauwen.

Afijn. De toon is gezet en de workshop kan beginnen. Ik moet een timbaaltje maken. “Een timbaaltje?” “Ja. Een timaaltje.” Van kool en spek. En nog een paar dingen die ik niet lekker vind. Mijn naam ligt bij de snijmachine want daar moet ik beginnen. Paul kijkt bezorgd in mijn richting. (Hij staat bij het toetje.) “Zou je dat wel doen?” vragen zijn ogen, “met die snijmachine?”

Een kwartier later krijg ik van de juf op mijn kop omdat ik met een verkeerd mes sta te snijden. Ik heb inmiddels een flink blaar op mijn rechterwijsvinger. Ik krijg witte-kool-snijles. Jammer dat ik nooit witte kool eet omdat ik witte kool háát. Paul staat kletskoppen te bakken. Hij grapt dat hij thuis ook drie kletskoppen heeft.

“Ik wil geen eendenborst,” zeg ik. “Vind ik zielig.”
“Waarom?” vraagt een collega van Paul.
“Omdat wij vroeger een eend als huisdier hadden.”
“O,” zegt de collega. “Ik had vroeger een varken als vriendin.”

De wijn is goed. Misschien wel te goed. Opeens staan mijn timbaaltjes in de oven en heb ik er een brandwond bij. We gaan zo aan tafel om ons zelfgemaakte diner op te eten. Ik eet geen eendenborst, ik krijg vis. Of ik dat niet zielig vind? Nee, vis eten vind ik niet zielig. Ik heb niets met vissen.

We eindigen met ijswijn en het toetje van Paul. Smakelijk, ik kan niets anders zeggen. Na een erg leuke avond gaan we voldaan naar huis. Alles was lekker. Het toetje, mijn timbaaltje en de vis. De wijn was ook lekker.

En vandaag ben vooral ikzelf gaar. En een beetje aangebrand.

Comazuipen


“Zo,” zei de hulp terwijl ze een emmer op het aanrecht zette. “Dan ga ik nu even een sigaretje roken.”

Annabel, die de hulp op geheel eigen wijze aan het ‘helpen’ was door haar knuffels allemaal stofvrij te maken, bekeek eerst de emmer en daarna het pakje sigaretten.
“Ik ga nooit roken,” zei ze.
“Verstandig,” zeiden hulp en ik tegelijkertijd.

Annabel, gesterkt door onze goedkeuring, ging vervolgens nog een stapje verder. Haar grote blauwe ogen staarden naar een punt ergens achterin de tuin terwijl ze zei: “En ik ga ook nooit pillen en drugs nemen.” (Ze sprak het uit als ‘druggggs’.)
“Goed zo,” zei ik. “En ga je ook nooit alcohol drinken?”
Annabel haalde haar schouders op. Kennelijk hoorde alcohol niet bepaald bij de Zeven Hoofdzonden.
“Nou, misschien wel een wijntje. Of een biertje.”
“Bier is lekkerder als het warm is,” zei de hulp.
“En af en toe een wijntje kan geen kwaad,” zei ik.
“Je moet alleen niet gaan comazuipen.”

Bij het woord ‘comazuipen’ keek Annabel op. Ze kneep haar ogen tot spleetjes en leek heel diep na te denken.
“Wat is comazuipen.”
“Zóveel drinken dat je bewusteloos raakt.”
“O. Nee. Dat ga ik maar niet doen. Comazuipen. Heb jij dat wel eens gedaan, mamma?”
“Nee zeg, gelukkig niet.”

Afijn. Zo ging het gesprek nog even door. Tot het sigaretje van de hulp op was en Annabel weer aan het werk ging. De emmer ging naar buiten en ik nam weer plaats achter de computer.

Zomaar een lollig gesprek, op maandag met mijn dochter van zeven. Over tien jaar is ze zeventíen. Ik hoop dat de gesprekken over deze onderwerpen dan nog steeds lollig zijn.

Een nieuwe vriend


Ik stond net voor het stoplicht toen ik hem zag.

Op mijn voorruit, ter hoogte van de rechterruitenwisser, steggelend met een paar vliegenlijkjes. Hij leek een beetje op een krekel: felgroen, zo’n twee centimeter lang en met enorme voelsprieten. Het licht sprong op groen en op het moment dat ik gas gaf, zag ik zijn voelsprieten naar achter zwiepen. Als de naar achter wapperende sjaal van een snelle motorrijder.

“Goh,” zei ik tegen het insect. “Dat is ook niet zo handig hè? Om op mijn voorruit te gaan zitten?! Heb je soms zelfmoordneigingen? Of ben je gewoon per ongeluk uit de boom voor mijn huis komen waaien?”
Vaag was ik me ervan bewust dat het best raar was om in gesprek te raken met een insect dat op een voorruit zat, maar mijn radio deed het niet en je moet toch wat.
“Hou je vast,” riep ik toen ik nog wat gas bijgaf. “We mogen hier vijftig!” De voelsprieten vlogen nog wat strakker naar achter en ik zag de pootjes van het beest wiebelen. Maar hij bleef zitten waar hij zat.

Tegen de tijd dat ik het derde kruispunt passeerde had ik echt een leuke band met de krekel (of wat het dan ook was) opgebouwd. Ik had hem verteld dat ik naar mijn werk ging maar dat we eerst samen de post gingen halen. Ik beloofde hem dat ik niet te hard zou rijden en dat ik hem bij het postkantoor in de struiken zou zetten. Hij leek erg opgelucht toen hij dat hoorde, voor zover een insect opgelucht kan zijn dan.

Straat na straat bleef het beest op mijn voorruit geplakt zitten terwijl ik uit alle macht probeerde om niet per ongeluk mijn ruitenwissers aan te zetten. Een moord vóór negen uur ’s ochtends, dat kon natuurlijk niet.
Uiteindelijk parkeerde ik mijn auto naast een paar struiken, stapte uit en liet het beestje op mijn hand stappen.
“Kom maar vriendje,” zei ik.
Hij knikte me vriendelijk toe toen hij zijn pootjes naar me uitstrekte. Hij wilde er ook niet echt meer vanaf, van mijn hand, dus blies ik hem maar even de struiken in (alsof ik een kusje van mijn hand af blies).

“Wat ben jij schattig!” zei de man die naast me uit zijn auto stapte.

Ja ja ja jarig!

Jarig!

Zet de cadeautjes maar weer klaar
Vandaag is er hier weer eentje jarig!

Belletje wordt alweer vijf!
Zie onder.

Voor dit lustrum dacht ik dat het misschien leuk was om mijn bevallingsverhaal, destijds nog op viva.nl, even te copy-pasten. Voor de liefhebber, zeg maar.

Het begin
Op 20 juni, mijn uitgerekende dag, werd ik om half zes wakker.
Ik had gedroomd dat ik weeën had. Maar terwijl ik me dat realiseerde ging de droom door; ik kreeg nóg een wee.

Het vervolg

Toen ik later een boterham voor Lizzy smeerde twijfelde ik nog steeds. Waren dit nou oefenweeen, of misschien toch ‘the real thing’? Ik probeerde te ‘klokken’. Om de hoeveel tijd kwamen ze? Hoelang duurden ze? Maar telkens raakte ik de tel kwijt. Omdat Lizzy haar limonade kwijt was. Omdat Paul vroeg waar de vulemmer voor het tuinbadje was of omdat de hulp erbij moest met de stofzuiger.
Zo tegen tien uur, we zaten gezellig met z’n allen in de tuin, besloot ik toch maar de verloskundige te bellen; de weeën kwamen opeens zó kort op elkaar. “Ik weet niet of het al wat is.” Verontschuldigde ik me nog toen ze even later op de stoep stond. (Kijk, ik heb begrepen dat er vrouwen zijn die menen hun eigen ontsluiting met een geodriehoek op te kunnen meten; ik was nooit zo goed in wiskunde. Bovendien was ik niet van plan mijn eigen vliezen te gaan breken.) “O,” zei de verloskundige “jij hebt al zes centimeter ontsluiting. Als ik de vliezen breek ga je bevallen!” Oeps. En Paul moest Lizzy nog wegbrengen! “Als je wil dat Paul erbij is, zou ik Lizzy maar laten hálen!” Wederom de verloskundige. Enfin. Tuin weer in, hulp naar huis gestuurd, schoonmamma gebeld en vriendin M een sms-je gestuurd dat ik niet kwam zwemmen. Terwijl we wachtten belde een andere vriendin. “Ik hou het kort want ik ga zo bevallen!” zei ik. Het arme kind hing van schrik meteen op.
Om elf uur arriveerde schoonmamma. Even dag gezegd, Lizzy geknuffeld en toen Paul gevraagd ‘of hij mee naar boven kwam’. “Waarom?” vroeg hij. “Omdat ik nu ga bevallen.” Nu al? Ja. Nu al. Of wilde hij soms dat ik in het tuinzwembadje ging bevallen?
Om elf uur gingen we naar boven. Om tien over elf braken de vliezen. Om kwart over elf ging ik persen. En tenslotte legde ik om half twaalf mijn tweede dochter eigenhandig op mijn buik.

Welkom Annabel Madelief!

En toen kwamen de foto’s

Dus zo gek is het niet dat ik er op de foto’s bij zit alsof ik – ik citeer uit jullie reacties – “uit een kuuroord kom in plaats van uit een bevalling”.
Was het dan echt allemaal één groot feest? Nee, natuurlijk niet. Het venijn zat hem in het staartje. Als de verloskundige na afloop mompelt: “Even kijken welke onderdelen bij elkaar horen.” Kan je er vanuit gaan dat het down under niet helemaal goed gegaan is. Gelukkig had ik, door schade en schande wijs, al een leuk patroontje uit de Knippie gehaald. (In de kleuren van de kinderkamer uiteraard!) Dat, én dat mooie popje op mijn buik, verzachtte de pijn.

En daarna?

Annabel werd ondertussen helemaal gezond verklaard. Paul ging Lizzy halen. “Wat vind je van je zusje?” vroegen we haar toen ze bij ons op het bed werd gezet. “Leuk en klein!” zei ze.

Later, toen we gezusterlijk met z’n allen op het grote bed zaten zei Lizzy: “Mamma, is de baby gewoon uit jou gewandeld?”

Eh. Nou, je zou het zo kunnen zeggen. Ze is er op een zonnige maandagmorgen gewoon uitgewandeld. Zonder problemen. Ze heeft alleen de deur een beetje lomp open gedaan.

Het feestje is afgelopen

Bij het eerste boek was ik vooral verwonderd.

Ik werd niet direct door het verhaal gegrepen. Het duurde zeker tot bladzijde honderd voor ik er helemaal inzat. Daarna ging het snel. Voor ik het wist sloeg ik de laatste pagina alweer om. “Heb je die dikke pil nu al weer uit?” vroeg Paul verwonderd.

Het tweede deel was een feestje met oude bekenden. “He!” riep ik steeds. “Jij ook hier?!” De hoofdpersonen gingen steeds meer leven en de spanning werd alsmaar groter. “Sttt,” zei ik tegen de kinderen. “Pak maar een koekje. Mamma is aan het lezen.”

En nu ligt deel drie klaar. Het feestje gaat gewoon verder. Toch is er één verschil. Want hoe lang ik ook over dit boek ga doen, hoezeer ik me ook zal vereenzelvigen met de hoofdpersonen, na dit deel is het over.

Het feestje is afgelopen en er zal nooit meer zo’n feestje komen.

Stieg Larsson is dood. What a loss.

Uiensoep cappuccino

Per persoon eten we 6 kilo ui per jaar. Daarvan eten we het grootste gedeelte in de winter, namelijk door de stamppot, als uiensoep of bijvoorbeeld als smaakmaker van stoofvlees.

We gebruiken in de zomer meestal de rode ui, omdat de kleur hiervan er in de salades lekker fris en vrolijk uitziet. In de winter kan ons die kleur niets schelen en gebruiken we de gele ui om wat extra vitaminen binnen te krijgen.

Voor alle liefhebbers van uien hebben we een leuk uienrecept:

Uiensoep Cappuccino

Voor 4 personen:

Ingredienten:

  • 700 gram uien

  • 2 el. olie

  • 2 teentjes knoflook

  • 1 liter runderbouillon

  • 1 dl. (volle) melk

  • peper
  • Snij de gele uien in parten. Verhit de olie in een grote pan en bak de ui, samen met de teentjes knoflook, 5 minuten. Schenk de runderbouillon bij en laat de soep circa 20 minuten koken. Maak het “cappuccinoschuim” vlak voor het serveren: breng de (volle) melk, 2 el. soep en wat verse peper aan de kook. Klop dit op het vuur, handmatig of met een staafmixer tot schuim. Verdeel de warme soep over 4 cappuccinokommen en schep er wat van het schuim bovenop. Garneer met fijngesneden lenteui.

    Meer recepten vind je op www.ui.nl.

    Daarnaast kun je op de Margriet Winterfair, van 20 t/m 26 november in de Jaarbeurs in Utrecht, verschillende kookdemonstraties beleven van lekkere en vernieuwende gerechten met uien. Zo kun je bijvoorbeeld luisteren naar een kok die vertelt over uien snijden zonder te huilen en die laat zien hoe je uien karameliseert.
    Kijk op www.margrietwinterfair.nl voor meer info.