Slaap(hand)stand


Liz is de laatste tijd weer aardig aan de wandel. Aan de slaapwandel wel te verstaan.

Het begon ermee dat we haar op de trap aantroffen. Daar zat ze, op derde tree van onder, tegen een paar onzichtbare mensen te praten. Paul nam haar mee naar boven en legde haar weer in bed. De nacht daarna kwam ze naar beneden om ‘iets’ te zoeken in de keuken en de nacht dáárna ging ze – met glazige ogen en al – gewoon bij ons op de bank zitten.

Maar dat waren de keren dat wij nog wakker waren. De afgelopen nachten slaapwandelt Liz bij voorkeur als wij slapen. Zo werd ik twee nachten geleden wakker van wat gestommel. Eerst dacht ik aan Sinterklaas – dat krijg je, zo rond november – maar toen bedacht ik dat het de Sint niet kon zijn want die was nog helemaal niet in Nederland. Nader onderzoek wees uit dat het geluid uit Liz haar kamer kwam. Ze liep rond, stond voor de spiegel en liep weer rond.
“Wat ben je aan het doen?” vroeg ik.
“Ik ga even een handstand doen,” zei Liz en ze stak haar handen al in de lucht.
“Doe dat maar even niet,” zei ik.
Ik hield haar tegen en praatte haar weer haar bed in. Ze zag af van de slaaphandstand en liet zich lekker instoppen.
“Waar ben je?” vroeg ik terwijl haar ogen alweer dichtvielen.
“Ik ben heel ver weg,” zei ze. “Jij en pappa zijn er niet.”
Bizar hoor, slaapwandelen.

Vanochtend werd ik wakker na een rustige nacht. Ik had lekker doorgeslapen, niemand was wakker geworden en uitgerust stapte ik de badkamer binnen. Eerst maar eens even mijn tandenpoetsen.
Alleen, waar was mijn tandenborstel?
Verwonderd keek ik naar de wasbak. Het bekertje waar altijd de tandborstels en de tandpasta in staan, stond niet op zijn plek. Ik keek om me heen maar nergens zag ik het bekertje.

“Zeg meiden,” vroeg ik. “Heeft een van jullie het tandpastabekertje gezien?”
“Nee,” zei Bel.
“Nee,” zei Liz.”
“Het is echt raar,” zei ik. “Waar kan dat ding nou zijn?”

Op dat moment schoot Liz kennelijk iets te binnen.
“Weet je,” zei ze peinzend. “Ik heb over dat tandpastabekertje gedroomd. Dat ik ermee aan het spelen was op mijn kamer.”
Snel liepen we naar de kamer van Liz en jawel, op haar bureau stond het tandpastabekertje. De tandborstels lagen ernaast, netjes op een rij.

“O,” zei Paul ineens. “Dus dát was ze aan het doen. We hebben haar horen rommelen, weet je nog?”
“Ik heb helemaal niets gehoord,” antwoordde ik verbaasd. “Ik ben niet één keer wakker geweest.”
“Wel hoor,” zei Paul. “We hoorden gerommel in de badkamer en jij stond meteen naast het bed. Alleen ging je niet naar de badkamer maar je wilde iets in de kast pakken. Toen ik vroeg wat je aan het doen was kwam je weer in bed. En toen hoorde ik Liz ook niet meer.”
“Nou,” zeg ik, een beetje verbolgen. “Daar weet ik anders niets meer van.”

“Nee,” zei Paul. “Maar het is wel duidelijk van wie onze kinderen het slaapwandelen hebben.”