Het medaillon

Het is alweer ruim een jaar geleden dat mijn oma overleed.

“Mag ik haar medaillon,” had ik destijds gevraagd. “Dat zilveren, met die Franse versiering.” Dat medaillon, dat was heel erg oma. Vroeger maakte ze het altijd voor ons open, zodat mijn broertje en ik erin konden kijken. Open en dicht. Het maakte een heel bijzonder geluid. Iets tussen klik, krak en plok in. “Alsof je een stukje chocolade van een reep afbreekt,” zeiden mijn broer en ik.

Mijn moeder en mijn tante wisten eigenlijk niet zo goed wat ik bedoelde. Medaillon? Had ze een medaillon dan? Blijkbaar was het medaillon vooral fascinerend geweest voor de kleinkinderen. En nu wist niemand meer waar het was gebleven.

Een paar dagen geleden kwam het medaillon, tot mijn grote vreugde, boven water. Mijn moeder had het gevonden. Het had in een doosje gezeten. En dat doosje zat in een laatje van een kistje. Dat kistje stond in een kast en die kast was een troep. Zo gaat dat.

“Het is een vies ding hoor,” zei mijn moeder. “Maar als je nog wilt, dan mag je het hebben.” En vies was het. Bijna zwart. Plakkerig van het vuil en met een kapot kettinkje. Ik maakte een badje van sodawater met aluminium en poetste met zilverpoets. Ik verving het kettinkje.

Vóór ik het omhing deed ik er twee foto’s in. De haarlok van mijn moeder – die er al in had gezeten – stopte ik achter Lizzy’s foto.

De Kletsen vinden het medaillon fascinerend. Steeds weer moet het open en dicht. Net als vroeger. “Het maakt zo’n grappig geluid als je dicht klikt,” zei Lizzy vanochtend. “Ja hè,” knikte ik. “Net of je een stukje chocolade van een reep afbreekt.” De Kletsen knikten instemmend. Precies. Zo klonk het.

Oma, mijn moeder, ik en mijn dochters. Vier generaties samen in één zilveren medaillon.

Mooi hè?

Advertisements

Luistervinken

Het is nog vroeg.

Het park ligt er verlaten bij. Het grote grasveld is bedekt met dauw. Het zand glinstert in de zon. Op het bankje zit een stelletje; een jongen en een meisje. Ik schat ze rond de twintig.

Lizzy en Annabel rennen naar de zandbak. Ze beginnen met een zandtaart. Vlak voor de neus van het stelletje. “Annabel jij graaft een gat en ík maak de taart. Want ík was de bakker,” zegt Lizzy bazig. “Dat vinnik ‘tom,” roept Annabel terwijl ze ondertussen gehoorzaam begint te graven.

Het stelletje volgt de babbelende kinderen met veel belangstelling. Af en toe fluistert de jongen iets tegen het meisje of andersom. En dan lachen ze. “Ze vinden de kinderen gewoon schattig,” denk ik eerst, maar onderhand zitten ze op het puntje van hun stoel (bank) om geen woord van de kleintjes te missen. Toch wel apart.

Wanneer ik zelf ten tonele verschijn om een kleine ruzie te beslechten, spitst het stel wederom de oren. Wat een luistervinken! Wanneer ik ze aankijk glimlachen ze. Niet onvriendelijk. Een beetje onnozel, alsof ze het niet helemaal begrijpen.

Een kwartiertje later staan ze plotseling op. De jongen haalt hun fiets van het slot en het meisje pakt een rugzak. Ze glimlachen naar de kinderen ten teken van afscheid. “Danke wel,” zegt de jongen tegen mij. “For die Neiderlandsche leisch, wij heb fiel van geleird.”