STROOM

Eten en slapen met Rotterdamse skyline
Ook binnen is het hier goed toeven tussen de hippe arti’s op een strak en trendy interieur van zitjes met lange banken en hoge tafels, waarvandaan je zo op de vingers van de chef kijkt in de grote open keuken.

De uitgebreide kaart met originele en grappige details erop belooft een hoop, alleen wordt het niet waargemaakt op je bord. Onze verwachtingen waren misschien wat te hoog gespannen en overall gezien is deze combinatie van hotel en restaurant zeker de moeite waard, maar we komen zeker binnenkort nog eens terug om te kijken of de keuken zijn draai al heeft gevonden.


Aan de locatie ligt het in ieder geval niet. En na het zien van de mogelijkheden voor het ontbijt dat ook op dezelfde kaart stond, kunnen we niet wachten om een keer te blijven slapen.

Adres:
Stroom
Lloydstraat 1
Rotterdam
Tel. (010) 244 96 69
www.stroomrotterdam.nl

Daar zit een luchtje aan

Minder pellen, meer knoflook.

Kwistig gooide ik de bolletjes – véél handiger dan die losse teentjes – door het groentegerecht. Buurtvrouw C. kwam de keuken binnen. “Zo,” zei ze. “Is er hier een bom ontploft?”

Toen de schaal op de barbecue stond vroeg iemand of Paul en ik by any chance de rest van de week nog vakantie genoten. Of dat we – gezien de lucht die van de groente afwalmde – gewoon een hekel aan onze collega’s hadden.

“Zeg,” zei Paul ineens. “Moeten wij morgenochtend niet naar de tandarts?” Diverse mensen keken geschrokken mijn kant op. “Arme tandarts!” zag je ze denken. Ik snoof de geur van de knoflookbolletjes op. Shit.

Uiteindelijk loste het probleem zichzelf op. De groente werd bovenop de barbecue niet gaar. Toen ik de schaal vervolgens direct op de kooltjes zette – en vergat – brandde alles aan en was het gerecht niet langer eetbaar.

De tandarts had geluk. En ik ook.

Geen gaatjes.

Waar is Esther?

Thuis met de kinderen.

Annabel is momenteel erg hardhorend. Ergens moet ze een oorontsteking hebben opgelopen want haar kussen ligt ‘s ochtends vol prut. Last heeft ze er niet van. “Doet geen pijn”, zegt ze zelf. Maar sinds het oor is ‘doorgebroken’ is ze zo doof als de pest.

Echt, mijn oma is er niets bij. “Annabel, wil je wat drinken?” wordt steevast beantwoord met: “Hè?” En na de herhaling volgt: “Wat zeg je?” Meestal eindigt het gesprek op bejaardenniveau: “Of. Je. Wat. Wilt. Drinken.” En dan presteert ze het nóg om te zeggen: “Wie zit er te stinken?”

Het is een beetje vermoeiend. Maar aan de andere kant ook reuze grappig. Lizzy, die constant in Annabels verkeerde oor staat te tetteren en dan zuchtend om haar zusje heen loopt om bij de andere gehoorsingang opnieuw te beginnen. Paul, die telkens heel vreemde antwoorden op zijn vragen krijgt en natuurlijk Annabel zelf. Want reken maar dat die kleine klets doorheeft dat er iets bijzonders met haar aan de hand is.

“Waarom ruim jij je troep niet op?” vroeg ik haar vanmorgen nadat ze in een kwartier een complete ravage in de woonkamer had aangericht. Ze keek me hooghartig aan, draaide zich om en zei:

“Dat weet ik niet, ik ben doof.”

Vrolijk Pasen

Vrij naar Jezus

“Jij was gister al aan de beurt.”
“Ja, maar jij had de dag daarvóór dubbel zo lang!”
“Maar ik had al gezegd dat jij morgen weer mocht.”
“Daar heb ik toch nu niets aan?”
“Gisteravond zei je iets heel anders.”
“Ja, maar toen had ik nog niet zo’n keelpijn.”

Zoals elk jaar met Pasen kibbelen we over het opstaan.

Hoe zou dat toch komen?

Luchtbugs

Het kantoor is nagenoeg leeg.

De kasten zijn weg, de inhoud ook. Het meeste is al overgebracht naar onze nieuwe plek. Slechts drie bureaus zijn overgebleven. En drie computers. We digipoolen.

Pas als de KPN alle lijnen heeft aangesloten, kunnen we helemaal over. Tot die tijd werken we in ‘ploegendienst’. Om de haverklap rent een collega naar het nieuwe pand om een dossier te halen, of een map met codes. Iets dat al verhuisd is, maar tóch uitsluitsel moet bieden.

Het is onhandig. Dingen raken door elkaar. Spullen zijn onvindbaar. De één na de ander struikelt over de losliggende snoeren. Het getik van mijn hakken klinkt hol. Als we verhuisd zijn, zal het kantoor worden afgebroken.

Aan het einde van de dag zijn we moe van alle rommel. Collega M. pakt een zwarte viltstift en tekent puntjes op de lege muur. “Een woord van zeven letters,” zeg ze. Het is leuk om op de kantoormuren te schrijven. Een beetje verboden. Als zwemmen zonder badkleding. We spelen galgje tot het tijd is om naar huis te gaan.

Niemand raadt mijn woord. Maar dat komt omdat ik het verkeerd gespeld heb.