Nostradam-ES


Ik had vannacht een hele malle droom.

Ik droomde dat ik een staatslot had verloot onder mijn lezers en dat op dat staatslot een flinke prijs was gevallen. Een miljoen om precies te zijn. De droom was redelijk gedetailleerd: het was een lot met het eindcijfer drie en de trekking was in ergens in juni, dat weet ik omdat ik – in mijn droom – dacht: “O, dat is rond de tijd dat mijn boek uitkomt.”

Afijn. Ik heb mezelf nog nooit eerder betrapt op het hebben van een voorspellende gave (anders had deze pagina wel ‘Jomanda’s Blog’ geheten ) alhoewel ik moet zeggen dat een behoorlijk sterk voorgevoel had over het feit dat we het Songfestival niet zouden gaan winnen. En laatst zat ik ook al aardig goed toen ik zei het – met dertig graden – best wel eens warm kon worden tijdens de avondvierdaagse. Dat zegt wat, dunkt me.

Afijn, dus ik vanmorgen naar de lokale sigarenboer om een staatslot te halen voor de trekking van tien juni. Eindcijfer drie. Eerst dacht ik nog: “Ik hou ‘m lekker zelf!” Maar ja, dan zou die droom waarschijnlijk zijn voorspellende waarde verliezen, het was tenslotte duidelijk een lezeres die de prijs won. Dus nu heb ik slims bedacht: ik verloot een lot onder mijn lezers en als er een prijs valt dan delen we. Of we geven er een leuk feestje van, de details bespreken we nog wel (droom was hier niet duidelijk over, dus ik beschouw de actie verder als ‘vormvrij’)

Kortom er valt wat te winnen! En daarvoor heb ik een leuke actie bedacht!

Ik blog inmiddels bijna tien jaar (in 2013 officieel). Misschien lees je nog geen tien jaar mee, misschien ook wel. Misschien lees je ook al langer mee, al sinds de papieren Viva (dan gaan we al richting de vijftien jaar). Ik merk vaak dat jullie een goed geheugen hebben en daarom deze actievraag: beschrijf welk blogje/ welke column op de een of andere manier het sterkst is blijven hangen en waarom. Misschien best veel gevraagd om met deze temperaturen zo in je geheugen te gaan graven maar hè, we hebben het hier wél over een miljoen he!

Uit de reacties laat ik de Kletsen willekeurig een naam ‘trekken’ en die persoon wint mijn staatslot. Ik ben benieuwd. Naar jullie reacties, naar wie wint en natuurlijk naar de trekking op tien juni.

’t Zou toch wat zijn zeg?!

Een nieuwe vriend


Ik stond net voor het stoplicht toen ik hem zag.

Op mijn voorruit, ter hoogte van de rechterruitenwisser, steggelend met een paar vliegenlijkjes. Hij leek een beetje op een krekel: felgroen, zo’n twee centimeter lang en met enorme voelsprieten. Het licht sprong op groen en op het moment dat ik gas gaf, zag ik zijn voelsprieten naar achter zwiepen. Als de naar achter wapperende sjaal van een snelle motorrijder.

“Goh,” zei ik tegen het insect. “Dat is ook niet zo handig hè? Om op mijn voorruit te gaan zitten?! Heb je soms zelfmoordneigingen? Of ben je gewoon per ongeluk uit de boom voor mijn huis komen waaien?”
Vaag was ik me ervan bewust dat het best raar was om in gesprek te raken met een insect dat op een voorruit zat, maar mijn radio deed het niet en je moet toch wat.
“Hou je vast,” riep ik toen ik nog wat gas bijgaf. “We mogen hier vijftig!” De voelsprieten vlogen nog wat strakker naar achter en ik zag de pootjes van het beest wiebelen. Maar hij bleef zitten waar hij zat.

Tegen de tijd dat ik het derde kruispunt passeerde had ik echt een leuke band met de krekel (of wat het dan ook was) opgebouwd. Ik had hem verteld dat ik naar mijn werk ging maar dat we eerst samen de post gingen halen. Ik beloofde hem dat ik niet te hard zou rijden en dat ik hem bij het postkantoor in de struiken zou zetten. Hij leek erg opgelucht toen hij dat hoorde, voor zover een insect opgelucht kan zijn dan.

Straat na straat bleef het beest op mijn voorruit geplakt zitten terwijl ik uit alle macht probeerde om niet per ongeluk mijn ruitenwissers aan te zetten. Een moord vóór negen uur ’s ochtends, dat kon natuurlijk niet.
Uiteindelijk parkeerde ik mijn auto naast een paar struiken, stapte uit en liet het beestje op mijn hand stappen.
“Kom maar vriendje,” zei ik.
Hij knikte me vriendelijk toe toen hij zijn pootjes naar me uitstrekte. Hij wilde er ook niet echt meer vanaf, van mijn hand, dus blies ik hem maar even de struiken in (alsof ik een kusje van mijn hand af blies).

“Wat ben jij schattig!” zei de man die naast me uit zijn auto stapte.

Knutselsmurf

Lizzy slaapgedrag laat nog immer te wensen over.

En aangezien Annabel onder haar Ikeatent slaapt als doornroosje herself, had Paul bedacht dat Lizzy misschien ook wel gebaat zou zijn bij een tent boven haar bed. Aldus toog hij gisteren naar de Gamma. Met een tas vol buisjes, koppelstukjes en touwen kwam hij weer thuis.

Wanneer Paul aan het klussen gaat maak ik me altijd uit de voeten. Ik snap nooit wat hij doet en denk altijd dat hij ervoor zorgt dat het huis zal instorten. Bovendien ziet het er meestal niet uit of zijn plan gaat lukken waardoor ik helemaal zenuwachtig word. De kletsen hebben echter een rotsvast vertrouwen in hun vader en dus ging Paul aan de klus boven met de meiden erbij.

Een uurtje later, ik had net het eten op staan, was de tent een feit. Of ik even kwam kijken want het was zo mooi geworden. Tja. Mooi. Een subjectief begrip. Een ingewikkelde constructie van touwen, buizen en lappen had Lizzy’s bed omgetoverd in een soort bedoeïenenten. De gemiddelde woestijnbewoner zou er stinkend jaloers op zijn geweest. Binnenin de tent deed het ook aardig woestijnachtig aan trouwens, zo heet was het daar.

Terwijl Paul in de verbanddoos rommelde naar jodium, pleisters en zwaluwstaartjes (hij had soort winkelhaak in zijn eigen hand geknipt) bekeken Lizzy, Annabel en ik de tent. “Nou,”zei ik. “Het is wel een euh… bijzondere tent hè?” Lizzy knikte trots. “Mijn eigen tent,” zuchtte ze. “Helemaal van mij.” “Dat heeft pappa toch maar weer handig gedaan hè?” Lizzy en Annabel knikten. “Maar het was wel een gedoe hoor, mamma. Pappa heeft wel een heleboel lelijke woorden gezegd.” Annabel knikt instemmend. “Maar dat mochten we niet tegen jou zeggen.” “Weet je wat,” zeg ik begripvol. “Ik heb gewoon niets gehoord.”

Gerustgesteld gaan Lizzy en Annabel in de bedoeïenen spelen. En ik? Ik ga maar eens kijken of mijn man de pleisters kan vinden. En dan zal ik hem een kusje op de zere plek geven.

La Mindy

Over superhelden gesproken.

Vanmiddag gaan Lizzy en ik naar de theatershow van Mega Mindy. En voor wie La Mindy niet kent; ze is een échte superheld! In een roze (!) pakje, en met wapperende krullen, vliegt ze stad en land af om ons te bevrijden van allerhande tuig en gespuis.

Mindy’s alter ego Mieke (‘girl next door’ wanneer geen superheld) is politieagente. Ze is in ‘t geheim verliefd op collega Toby, maar díe heeft het natuurlijk weer de hots voor de stoere Mega Mindy. Balen! Mieke schrijft er vaak over in haar dagboek, wanneer ze mijmert over haar eerste kus.

Girlsstuff
dus, die Mega Mindy. Hartstikke populair onder meisjes van ongeveer nul tot honderd. Iedereen wil tenslotte wel een roze superheld zijn. Niet voor niets vliegen de Mega Mindypakken als warme broodjes over de toonbank. (Let op, tegenwoordig ook in volwassenmaten te verkrijgen!)

En vanmiddag gaan we haar zien. In het echt. In het roze. Met Toby. Ze gaat haar leuke liedjes zingen (“Ik ben Mééééga Mindy, ben een echte superheld”) en waarschijnlijk vangt ze hier of daar wel een boef. Ik heb zelfs begrepen dat z gaat vliegen! Supercooldude.

Maar goed. We zullen het vanmiddag beleven. De kaartjes liggen al weken in de kast en één ding is zeker, hier in huis is een klein meisje érg opgewonden.

En Lizzy heeft ook veel zin! 😉

Een daad van verzet

Was gisteravond pas tegen elf uur thuis.

En vervolgens kon ik niet slapen. Ik dacht aan mijn werk. Best leuk, mijn werk. Maar niet op dat moment. “Ga weg werk!” zei ik. Maar werk ging niet weg. Ik zuchtte. Draaide en draaide. Soms ben je gewoon te druk in je hoofd. Soms is het kussen te zacht en het matras te hard. Soms was nu.

Desalniettemin stond ik vanochtend vrolijk op. Een beetje moe, maar verder uitermate gelukkig. Zonnetje, blauwe lucht, ijskristallen! Zelfs de verkeersellende rond het centrum bracht me niet uit mijn humeur. Wel stoorde ik me aan het ge-eikel van mijn collega-chauffeurs. Rechts heeft vóórrang, sukkel!

Tegen de tijd dat ik de parkeerplaats opreed, was ik een beetje dwarsig. De vermoeidheid begon zich te vermengen met de latent aanwezige irritaties. Samen met mijn opgewekte gemoed leidde dit tot een vreemd gevoel van algehele opstandigheid. Ik had ineens enorm de behoefte om afwijkend gedrag te vertonen.

Op de gang kwam ik een paar Pakken tegen. “Hallo,” zeiden de pakken. “Hallo,” zei ik terug. “Krijg de schijt,” dacht ik. De recalcitrante gedachten volgende elkaar nu in snel tempo op. Weg Met de Pakken. Poep aan de Auto’s. Dood aan de Prikklok. Er móest iets gebeuren. Het borrelde en bruiste in mij. Het moest eruit.

Ik stond op de gang en keek om me heen. Wat? Wat moest ik doen? Waar zou ik vandaag – geheel tegen mijn principes – de dag mee beginnen. En plotseling wist ik het.

Ik nam de lift.

Tutti Frutti XIV

Met dank aan alle inzenders!

“Dan krijg je nul op orkest.”

“Praat me de bek d’r niet van.”

“Zet je oogkleppen nou eens open!”

“Dat heb ik over het oog gezien.”

“Ik ga me niet in mijn kaarten laten lezen.”

“Je kan er je kont niet krabben.”

“Dat moet ’t paradeplaatje van het bedrijf worden.”

“Ik stel sterk mijn vraagtekens.”

“Dat moeten ze eerst gladpoetsen.”

“Dat breekt me de nek.”

“Hij was helemaal van de rooie.”

“Dan bijt ik ook mijn tanden erin.”

“Hoe je ’t ook draait of keert.”

“Hij hing recht in mijn gezicht op!”

“Alle puntjes op een rij zetten.”

“Je eigen gat graven.”

“In een schoon blaadje komen.”

“Met gescheurde banden reed ze weg.”

“Dat heb je uit je mouw gezogen!”

“Waar je die waarheid vandaan haalt is me ook een sprookje!”

Tutti Frutti XIII

Er zitten weer een paar briljante tussen!

“Ze slaan je hier niet voor vol aan.”

“De jongens zijn elkaar in de nek gevlogen.”

“Dat was een druppel op de hete plaat.”

“Hij wilde het eens lekker onder mijn ogen wrijven.”

“Ik zal hem eens flink achter zijn staart aanzitten.”

“Je moet niet van elke scheet een donderslag maken.”

“Ze zijn ‘m alweer gevlogen.”

“Ik zal dat meisje eens even de was lezen.”

“Het viel me in ’t verkeerde keelgat.”

“Ze was zo dronken als een tientje.”

“Wie weet wat voor struisvogels er nog in de bosjes zitten.”

“Sommige mensen woekeren dat aan!”

“Dat is lullen tegen Brugman.”

“Ik zet er vandaag nog een punt onder.”

“Jullie leggen het vuur aan mijn schede.” (Auw!)

“Ik ga d’r even een puntje aan blazen.”

“Daar zal je je ook geen buil door vallen.”

“Ze zijn uit het niets verdwenen.”

Blijf posten! Laat ons meelachen!