Van de kies en de bevalling

Arme Paul.

Eerst zijn verstandskies eruit. Toen een keelontsteking. Direct daarna een gaatje en tenslotte een afgebroken vulling. “Nu ben ik er wel klaar mee,” zei hij vorige week nog.

Maar het lot besliste anders. ’t Weekend kreeg hij enorme kiespijn. Ik stelde nog voor een noodtandarts te bellen, maar meneer had een beter idee. Hij ging een borrel nemen. En dat hielp. Dus nam hij er nog een.

Vanmorgen zag ik hem bleekjes uit bed komen. Een kater én kiespijn. Ik zag af van commentaar. Teveel medelijden. Onderweg naar zijn werk (bikkel!) belde hij de tandarts.

“Ik kom naar huis,” smste hij een uurtje later. “Moet bijkomen.” En dat voor iemand die nooit klaagt. Ik vermoedde het ergste.

Bleekjes was overgegaan in een ondefinieerbaar soort vaalgroen. “Hij heeft me een wortelkanaalbehandeling gegeven,” lispelde Paul. “Het was een hel. Maar met die pijn was ik onderhand tot álles bereid.”

Een heet bad, een uurtje slaap en een ibuprofen later voelde hij zich iets beter. “Gek is dat,” zei hij. “Dat je pijn accepteert omdat je ergens zó graag vanaf wilt.” Ik grinnikte en kon niet nalaten om een parallel met bevallen te trekken. Pijn accepteren omdat je er vanaf wilt.

“Nou,” zei Paul. “Ik was in staat te eisen dat hij de hele flikkerse bende er zou uitsnijden.” Ik sloeg een arm om hem heen.

“Waarom denk je dat zoveel vrouwen gillen om een keizersnee?”