Op het postkantoor

Ik steek de sleutel in het slot van de postbus.

“Hé Esther!” Ik draai me om zodat ik kan zien wie mij om acht uur ’s ochtends zo enthousiast begroet. Het is A. Een oude bekende die vroeger bij mij in de straat woonde. Zijn vrouw (en kinderen) ken ik van het zwembad.

“Hé A,” groet ik terug. “Dat is lang geleden.” A. bevestigt dat het lang geleden is. Ik werp een blik op de twee kinderen die vrolijk om hem heen dartelen. “Goh,” zeg ik. “Wat zijn je kinderen gegroeid.” A. knikt. Zijn kinderen zijn gegroeid, ja.

Terwijl ik de post verzamel, vraag ik A. hoe het met hem is. “Heel goed,” zegt A. Hij steekt met een trots gebaar zijn handen naar voren. De vingers gespreid. “Kijk.” Ik kijk naar zijn handen. Ik zie niets bijzonders. “Geen ring meer!” zegt A. enthousiast. “Ik ben gescheiden!”

Even weet ik niet wat ik moet zeggen. “O. Eh. Fijn voor je.” mompel ik. “Met mij gaat het ook goed.” En dan maak ik dat ik wegkom. Rare A. Over een scheiding ga je toch niet zo enthousiast doen?

Of ligt dat dan aan mij?