Het medaillon

Het is alweer ruim een jaar geleden dat mijn oma overleed.

“Mag ik haar medaillon,” had ik destijds gevraagd. “Dat zilveren, met die Franse versiering.” Dat medaillon, dat was heel erg oma. Vroeger maakte ze het altijd voor ons open, zodat mijn broertje en ik erin konden kijken. Open en dicht. Het maakte een heel bijzonder geluid. Iets tussen klik, krak en plok in. “Alsof je een stukje chocolade van een reep afbreekt,” zeiden mijn broer en ik.

Mijn moeder en mijn tante wisten eigenlijk niet zo goed wat ik bedoelde. Medaillon? Had ze een medaillon dan? Blijkbaar was het medaillon vooral fascinerend geweest voor de kleinkinderen. En nu wist niemand meer waar het was gebleven.

Een paar dagen geleden kwam het medaillon, tot mijn grote vreugde, boven water. Mijn moeder had het gevonden. Het had in een doosje gezeten. En dat doosje zat in een laatje van een kistje. Dat kistje stond in een kast en die kast was een troep. Zo gaat dat.

“Het is een vies ding hoor,” zei mijn moeder. “Maar als je nog wilt, dan mag je het hebben.” En vies was het. Bijna zwart. Plakkerig van het vuil en met een kapot kettinkje. Ik maakte een badje van sodawater met aluminium en poetste met zilverpoets. Ik verving het kettinkje.

Vóór ik het omhing deed ik er twee foto’s in. De haarlok van mijn moeder – die er al in had gezeten – stopte ik achter Lizzy’s foto.

De Kletsen vinden het medaillon fascinerend. Steeds weer moet het open en dicht. Net als vroeger. “Het maakt zo’n grappig geluid als je dicht klikt,” zei Lizzy vanochtend. “Ja hè,” knikte ik. “Net of je een stukje chocolade van een reep afbreekt.” De Kletsen knikten instemmend. Precies. Zo klonk het.

Oma, mijn moeder, ik en mijn dochters. Vier generaties samen in één zilveren medaillon.

Mooi hè?

Advertisements

Rapunzel

Ik was zesentwintig toen ik (een groot deel van) mijn wilde haren verloor. Letterlijk.

Een periode van samenwonen was voorbij, ik ging mijn huis verbouwen en, nou ja, mijn lange haar afknippen leek me wel passend. Dat stond ook in de tijdschriften. “Je lange haar afknippen is een daad van verzet; je bent niet langer ‘iemands kleine meisje’.” Heerlijk, die Cosmo-wijsheid!

Afijn. Tien jaar lang (inderdaad, ik ben (nog elf dagen) zesendertig) droeg ik mijn haar net boven mijn schouders. Met een uitschieter naar iets langer (na de bevallingen) en flink korter (in de zomer). De kleur varieerde van rossig (geen succes; ‘Hé Es, zijn je luizen ongesteld?’) tot hoogblond. Lekker ordi.

En toen was er het moment waarop ik tegen de kapper zei: “Graag in model knippen maar niet teveel van de lengte af.” Ik had ’s ochtends meer tijd, dus ik kon af en toe wat föhnen. En warempel ik vond dat langere haar eigenlijk best wel leuk! Een tijdje zag niemand iets. Tot een maand of wat geleden. Toen begon het op te vallen.

En nu ben ik aan het ‘sparen’. Voor lange lokken. Net als Lizzy. (Af en toe maken we er een wedstrijdje van. Dan pakken we het meetlint.) En hoe langer het wordt, hoe mooier ik het vind. Maar ik word ook onzeker. Ben ik niet ‘te oud’ voor zo’n barbiekapsel? Staat het me wel? Keer op keer vraag ik de mening van vriendinnen. En natuurlijk van Paul. Die laatste is nou niet bepaald een ‘harenman’. Hij houdt nogal van ‘stoer’ en dat is dit natuurlijk niet.

Vanmorgen vroeg ik het weer. “Schat, wat vind je nou eigenlijk van mijn haar? Is het niet niet te lang?” “Nee hoor,” zei hij, terwijl hij zijn blik strak op de krant gericht hield. “Je kijkt niet eens,” mopperde ik. “En je zegt maar wat.” Voor straf besloot ik geen koffie voor hem te pakken. “Je haar is hartstikke mooi,” grinnikte hij.

“Het enige dat te lang is, zijn je tenen.”

Zolder opruimen II

Ik ben al weken aan het opruimen.

Alles wat ik uitzoek, wordt herverdeeld. Een grote zak knuffels naar de inzamelingsactie op school. Mooie kinderkleertjes naar de ‘tweedehands’ winkel, wat minder mooie dingetjes naar een opvanghuis. De zooi naar het grofvuil.

De zolder wordt leger en leger. Zelfs achter de schotten is niets meer veilig. Als ik eenmaal begin ben ik net een witte tornado. Maar dan zwart van het stof dit keer. Zwart en zwetend, want er staat een hoop troep. Ik worstel me door mijn jeugd. Door de babyjaren van de kinderen. Door Pauls marinetijd.

En dan komt de dag dat het ‘klaar’ is. Achter het schot is alles geordend, de zolder is leeg. Het kinderspeelgoed kan naar boven. De grote stickers van de prinsessen, Winnie de Pooh en Bob de Bouwer kunnen op de muur. De nieuwe make-uptafel wordt ingepakt. Het Ikea tekenbord ook. Paul verzaagt de boekenkast en ik frobel een leeshoekje. Met zachte kussens. Voor de deur komt een bontgekleurd kralengordijn.

Het wachten is nu op Sinterklaas. Tot die tijd is de zolder verzegeld. Als de kinderen terugkomen van oma zal ik zeggen dat er een traptrede loszit. Op vijf december krijgen ze een brief. Op rijm uiteraard. De traptrede is ‘gemaakt’ door Sint en Piet. Het gedicht loodst ze naar boven, naar de ‘opening van de regenboog’.

Mijn kinderen krijgen een speelzolder cadeau.

En ík kan niet wachten.

Van de pot en de rand

Zo zeg hè, wat kan een mens zich toch ontiegelijk beroerd voelen.

En dat van één enkele garnaal. Want laten we eerlijk zijn, de maïskolf, de watermeloen of de mozzarellasalade zullen het niet geweest zijn. En meer heb ik niet gegeten. Daarvoor was ik te druk met foto’s maken, kindjes op de schommel duwen en baby’s bij de barbecue weghalen.

Een garnaal dus. En ik kan je wél vertellen; die kleine zeeadder heeft flink huisgehouden. Gadverdamme, wat een ellende. Paul liet me nog uitslapen, maar evengoed kwam ik als een natte krant beneden.

Ik moet er wel erg zielig hebben uitgezien. Mijn schoonmoeder stuurde ons meteen naar huis. “Ik breng de kinderen vanavond wel terug,” riep ze. En nu ben ik dus maar wat aan het bijkomen. Ik ga me zo eens aan de beschuiten wagen. Meer durf ik nog niet aan.

“Ik lust geen gonalen” zei Lizzy gisteravond toen ik haar een paar roze ridders voorschotelde.

Ik lust geen gonalen. Wat een verstandige meid is het toch.

Vakantie is leuker

“Mamma, wat is dit?”
“Dit noem je een crypte.”
“Maken ze die nooit schoon?”
“Niet zo vaak nee. Vind je het mooi?”
“Nee. Het is versleten.”

Goed. Van de cultuur moet je het, met een dreumes en een peuter, niet hebben. Maar sprookjes doen het altijd goed. Tover wat feetjes in les grottes, een prinses in het chateau en voilà, de dag kan niet meer stuk.

De nacht wel. Want zoals iedereen weet; als het donker komt, maken de elfjes plaats voor monsters. De trollen, gnomen, Lizzys en Annabelles. Gekrijs, gemopper, gezeur. De drie G’s. Hele vakanties worden er door om zeep geholpen. Annabel snurkt. Annabel smakt. Ik zie Annabel haar billen. MÁÁÁMMÁÁ-IS-ANNABEL-WAKKER? Nu wel ja.

Tijdens de tweede nacht kondigde Paul aan dat hij stante pede terug zou rijden naar Nederland. En dat was een keerpunt. Geen Opvoeding meer op de camping. Ga maar zo laat naar bed als je wilt, eet maar koekjes tot je barst. Als je ’s nachts je waffel maar houdt.

Vanaf dat moment werden ook de nachten aangenaam. Zelfs de nacht toen het noodweer kwam. Het tentje waaide weg, stoelen vlogen door de lucht en overal zag je lichtflitsen. Terwijl ik probeerde het wasrek te redden, brak de hemel en begon het te hagelen. Eén seconde later stond er een verkleumde Fransman voor mijn neus. Hij kwam ons weggewaaide tentje terugbrengen. De volgende ochtend was er geen stroom.

Maar ook zonder stroom hadden we de mooiste plek van de camping. ’s Avonds, als we backgammon speelden, keken we uit op de golfbaan. (Die later door Paul en vriend R. vakkundig om zeep werd geholpen. Echt, de beelden kunnen zó door naar de Funniest Homevideo’s.) Er gingen elke avond hamburgers op de barbecue en Annabel leerde haar eerste woordjes; ‘eten’ en ‘ijs’. Op een hyperactieve rookmelder na (die al afging als je een scheet liet), was het er perfect.

Lizzy vond een vriendinnetje. Een buurmeisje dat aanbood om schoenen te ruilen en daarmee de liefde van onze dochter won. Samen speelden ze uren in een ‘huis’ dat ze met stoepkrijt getekend hadden. Of ze gooiden met de ‘frisbier’. De ouders zaten ondertussen bij ons hamburgers te roosteren. (En het moet gezegd worden, die smaakten bijzonder goed.)

Het leukst van de vakantie vond ik de afwisseling. Het zwembad was heerlijk. (Annabel zag er zó gaaf uit met haar bruine toet, witte haar en blauwe ogen. Zij en Lizzy fladderden met hun bandjes door het water alsof ze erin geboren waren). We hebben dubbel gelegen om Lizzy. (“Niet te lang in de zon mam, dan ga je verrotten!”) En halverwege de vakantie werden we óók nog eens vergezeld door vrienden. (Dat was een verhaal op zich; bij wijze van welkom hadden we hun caravan versierd. Ballonnen, rare briefjes, alles erop en eraan. Hartstikke leuk natuurlijk. Alleen bleek dat ik het nummer niet goed had onthouden. Ze zaten in een andere caravan.)

De laatste avond kwam veel te snel. De auto zat volgeladen en we zouden nog snel even eten. “Doe mij maar pizza,” riep ik, en wees op een bord met de aanbiedingen van die dag. Prompt bestelde Paul “un pizza ‘ce soir’”. Tot voorbij Parijs hebben we erom gelachen. En om te voorkomen dat we weer een paar honderd kilometer ‘lief klein konijntje heeft een vliegje op zijn neus’ moesten gaan zingen, deden we dat maar zachtjes.

Om twee uur ’s nachts dronken we een glas witte ‘Loire’-wijn op onze thuiskomst. Bah. Poststapel. Lekker. Eigen bed. Bah. Thuis. Lekker. Thuis. Wasmachine, vaatwasmachine, elektriciteitsrekeningen. Eigen WC. Bah. Lekker.

“Thuis is leuk, vakantie is leuker. Maar daarna is thuis weer leuk!” vatte Lizzy het de volgende dag treffend samen.

Morgen de foto’s