Het WK turnen komt eraan!

Als mensen mij wel eens vragen of ik vroeger óók aan turnen deed, dan zucht ik meestal mysterieus. “Jaaaa”, zeg ik, “dát was een mooie tijd.”

Dat ik een stoethaspel was, die nog geen fatsoenlijke sprong over het paard kon maken, laat staan een bruggetje of een handstand, dat zeg ik er meestal niet bij.

Van Paul heeft ze het ook niet echt. Die was (en is) weliswaar erg sportief maar bij hem draaide het vooral om balsporten. Op enige lenigheid heeft zijn moeder hem nooit kunnen betrappen, zo vertrouwde ze onlangs toe.

Wie, jij?!

Het is ons dan ook een groot raadsel hoe onze jongste dochter in hemelsnaam in de turnselectie terecht is gekomen. Ongeveer een jaar geleden begon ze bij de recreanten, een paar maanden later won ze haar eerste wedstrijd, promoveerde naar Jong Talent en inmiddels is ze ingedeeld bij de districtselectie.

trunen

Epke

Haar grote voorbeeld is Epke Zonderland. Een paar keer per week staat ze stil bij de grote poster van haar held. “Was ik maar zoals Epke”, zucht ze dan.

“Hard trainen”, zegt de juf.

“Met zulke armen?” grap ik.

Ze is pas acht, maar de trainingen zijn behoorlijk serieus. Aanwezigheidsplicht, discipline en geen geklets. Ze heeft een split- en spagaatdiploma en hardere buikspieren dan haar moeder ooit heeft gehad (oké, dat is ook niet zo heel moeilijk).  “Als zíj het maar leuk vindt”, zeggen Paul en ik regelmatig tegen elkaar.

Hoe doet die gozer dat?

Vorig jaar zomer keken we met z’n allen naar Epke, naar de prachtige oefening die hem rechtstreeks naar het Olympische Goud slingerde. Vlak daarna zagen we een programma op televisie over het harde leven dat topturners leiden. Of is ‘lijden’ is dit verband beter? Het plaatste de overwinning van Epke meteen in perspectief.

Het is leuk als je kind ergens goed in is. Het is nog leuker als ze er niet zó goed in zijn dat ze het serieus als toekomst gaan zien. Een medaille winnen is een feestje.  Anorexia, blessures en je complete leven opgeven, dát lijkt me wat minder gezellig.

Epke gaat binnenkort naar de wereldkampioenschappen. Hij gaat zijn ingewikkelde sprong niet doen, daarvoor heeft hij te weinig getraind. Hij studeert medicijnen en hij heeft zijn opleiding voor laten gaan.

Winnaar!

Ik hoop natuurlijk dat hij wint, straks in Antwerpen. Maar eigenlijk is hij voor mij al een winnaar. Niet vanwege het olympisch goud, maar vanwege de keuzes die hij maakt. Hij ís al een prachtig voorbeeld en hij wórdt vast een fantastische dokter. Of hij nou wel of niet scoort op het WK.

En over winnaars gesproken, op www.esthervuijsters.nl is het weer verrassingsvrijdag. Dit keer maakten de meiden en ik, speciaal voor jullie, een moderne versie van het programma ‘Dinges’. Raad jij welk woord bedoeld wordt?

Hoe het begon


We hingen nét een kwartier in de lucht toen Annabel vroeg ‘hoever het nog rijden’ was.

“We vlíegen hoor!” zei Liz, terwijl ze ondertussen een beetje twijfelend naar mij keek. Het leek alsof ze het allemaal niet zo vertrouwde. Wie zei haar dat we niet inmiddels aan het neerstorten waren?! Ondanks de Rescuspray van Bach die ik op haar tong had gespoten, was ze er niet bepaald gerust op.
Ik knikte de meisjes bemoedigend toe.

Ja, we vlogen.
Ja, alles ging goed.
Ja, stoel 19 A t/m D waren de veiligste plekken van het vliegtuig.
En dat rare geluid hoorde erbij, dat was gewoon de motor. (Tenminste, dat hoopte ik.)
Gerustgesteld bogen de meiden zich weer over hun Arke-kleurboek en kleurden verder met hun Arke-kleurpotloden.
Mooi, die waren weer rustig.

Nu ík nog.


Al een uur op Schiphol en nog geen zon!

Ons appartement, mét terras en óp de begane grond, bleek nogal retro (in het meest gunstige geval) en de keukeninventaris was, met drie kopjes en een koekenpan niet bepaald uitgebreid. Maar alles bij elkaar was het helemaal niet slecht. “Als je drie sterren boekt moet je er ook geen vijf verwachten,” zoals een wijs iemand eens op Zoover schreef.
De bedden waren prima, alles werd goed schoongemaakt en we hadden uitzicht op een paar enorme palmbomen (en als je heel goed je best deed; op zee).
Het park was, zeker voor drie sterren, behoorlijk goed. (Alhoewel ik gedurende ons verblijf minstens drie mensen door hun stoel heb zien zakken, maar dat kan evengoed iets zeggen over de kwaliteit van de (strand) stoelen als over de hoeveelheden die sommige mensen op het park aten!)
Vrolijk en zonnig liepen we naar wat de komende twee weken ‘ons huis’ zou zijn. De paden van het park waren omzoomd met palmen, bloeiende struiken en veelkleurige bloemen. Er was een zwembad dat precies groot genoeg was voor twee Kletsen met een B-diploma (en hun ietwat neurotische ouders). Het park beschikte zelfs over een eigen Sunadvisor. Als je langs haar standje liep, zag je er steevast een paar rood-wit gevlekte Engelsen met flinke klodders suncream op hun lillende lijf liggen.


Mijn nieuwe vakantiejurkje!

Ach ja, de mensen op ons park. D’r liepen er wel types rond hoor! Nationalistische Spanjaarden (“Talk Spanies! You in Spain now!”), gegrilde Ieren (rood-bruin gestreept) en moddervette Engelse. Gelukkig zat ons huisje redelijk achteraf (en hadden we wél leuke buren die een levende babyborn mee hadden waar de Kletsen graag mee aan de wandel gingen), toch kon ik niet voorkomen dat Paul ’s ochtends bij het drukke, – nee, extreem drukke – ontbijtbuffet, uit zijn humeur raakte omdat hij opzij gebeukt werd door een Engelse met een kont zo groot als Robbeneiland waarna hij getergd zuchtte: “Es, volgend jaar gaan we op vakantie naar ’n hutje op de hei!”

Ik had minder last van de mensen dan Paul. Ik ergerde me niet, ik paste me gewoon aan. Bruin en blond werd ik vanzelf, de roze topjes combineerden leuk met mijn bruine armen en een grote blingbling E om mijn nek maakten mijn nieuwe look af. Paul noemde me al snel “Barbie” en even overwoog ik om ook maar meteen een tatoeage te nemen. Ik was tenslote ongeveer de enige vrouw op het park die er géén had.

“O mamma,” zuchtte Lizzy toen ik mezelf weer eens overtroffen had. “Zag je er altijd maar zo mooi uit!”


Ed – de knuffel – kijkt uit het vliegtuigraampje!



Ik en mijn nieuwe look!