Gesprek

“Zeg,” begint Paul.

“Moet jij me soms wat vertellen?” Ik laat mijn Sherlock Holmes-boek zakken en kijk hem verbaasd aan. “Hoezo?”

Paul wijst op het beeldscherm van de computer. Ik strek mijn nek. De site van de abortuskliniek. Subje: “De overtijdbehandeling en de zuigcurettage.” “O, dat. Ja, dat was ik aan het lezen.”

Paul kijkt me nog steeds vragend aan.
“Da’s research,” zeg ik. “Voor mijn boek. Daar komt een abortus in voor.” Opgelucht klikt Paul de site weg.

Ik lees verder in Sherlock Holmes.

Sartre had gelijk

Ik besloot op de fiets naar mijn werk te gaan.

Nou besluit ik zoiets wel vaker. Tot zover niets bijzonders. Tot ik de warme keuken verliet. Gevoelstemperatuur buiten: min honderd graden. Toch pakte ik de fiets. Anders had ik mijn auto moeten krabben en als ik érgens een hekel aan heb…

Afijn. Ik was nog geen tien minuten onderweg of ik moest stoppen voor de spoorbomen. Dat was raar, want het spoorlijntje dat ik moest oversteken werd nauwelijks nog gebruikt. Vandaar ook misschien dat de vooroorlogse goederentrein zo langzaam reed. Ik hoorde de scharnieren piepen en raken. En uiteindelijk stopte de trein.

Aldus stond ik daar. Er zat niets anders op dan te wachten. Ik voelde de kou langs mijn benen optrekken. De wind ademende in mijn oren en ik vervloekte de haast die ervoor had gezorgd dat ik mijn muts was vergeten. Was ik nou toch maar met de auto gegaan.

Achter me groeide de rij fietsers gestaag. De trein stond nu zeker al een minuut of vijf stil. En opeens hoorde ik het. Er stond een R.O.A.O.- man achter me. (Relaxed Onder Alle Omstandigheden) Terwijl ik uit alle macht probeerde niet aan mijn fiets vast te vriezen, begon de man een kerstliedje te fluiten. Away in a manger. Met van die gevoelige uithalen.

Ik probeerde me er voor af te sluiten. Echt, ik deed mijn uiterste best. Maar het lukte niet. Dat schelle gefluit, alsof hij op een zonnige dag in de tuin aan het werk was, ging door merg een been. En ondanks dat mijn bloed van irritatie begon te koken kreeg ik het steeds kouder. We stonden er nu al tien minuten. De trein stond stil, het fluiten hield aan. Mijn tenen waren gevoelloos.

En op dat moment wist ik het zeker. Sartre had gelijk. De hel, dat zijn de anderen.

Een andere kijk op de dingen

Weer een ervaring rijker.

De shimmertest (uitgevoerd door de reumatoloog) had uitgewezen dat ik (te) droge ogen had. En aangezien dit verschijnsel in verband kan staan met gewrichtsklachten werd ik doorverwezen naar de oogarts.

Aldus meldde ik me gisterochtend bij de afdeling oogheelkunde. De assistente druppelde een vloeistof in mijn ogen die ervoor moest zorgen dat mijn pupillen groter werden. “Dan kan de oogarts alles beter zien,” legde ze uit. “Het kan zijn dat je wat wazig gaat zien.”

Tja. Dat was een understatement. Terug in de wachtkamer veranderde mijn cryptogram spontaan in een woordzoeker. De letters dansten voor mijn ogen. De omgeving werd vloeibaar; gangen golfden en de klok smolt voor mijn ogen. Ik probeerde te focussen maar dat gaf me het gevoel dat ik behoorlijk dronken was.

Een kwartiertje later ging ik opzoek naar het toilet. Onvast lopend volgde ik de verwrongen bordjes ‘toilet’. Na het plassen waste ik mijn handen. Ik keek in de spiegel. En schrok. Mijn pupillen waren zo groot als mijn irissen. Ik had twee zwarte gaten in mijn hoofd!

Het onderzoek zelf nam niet lang in beslag. De oogarts bevestigde dat ik (te) droge ogen had. Hij gaf me druppels en een brief voor de reumatoloog. Ogen laseren raadde hij af. “Dan zit je straks de hele dag te druppelen,” zei hij.

Eenmaal buiten ging het focussen beter. Met een zonnebril op zag ik de omgeving redelijk scherp. Voorzichtig en niet helemaal zeker van mezelf reed ik naar kantoor. Voor deze grap hadden ze me wel eens kunnen waarschuwen zeg!

Op kantoor showde ik mijn ogen. Ik was de sight van de dag. “Pilletje op?” grapte een collega. “Jij krijgt geen koffie meer,” grinnikte een ander. Toen het nieuwtje eraf was gingen we allemaal weer aan het werk.
Het duurde tot ver in de middag eer ik weer normaal kon zien.