De fietser

Ik heb een fietser aangereden.

Zomaar. Omdat ik niet goed keek. Ik kwam terug van schildercursus en had net vriendin C. thuis afgezet. Ik moest stoppen voor een rotonde. De bestuurder van de auto vóór me had zijn verrekijker op. Hij wachtte op een auto waar hij wel zés keer voor langs had gekund. Ik ergerde me.

Toen hij eindelijk doorreed, trok ik meteen op. Ik keek naar links en links was vrij. Ik vergat naar rechts te kijken. En dat was dom. Sowieso, want fietsers kunnen altijd van alle kanten komen, maar dít was ook nog eens een tweerichtingsrotonde. Niemand reed hard. De fietser was óók gestopt. Niettemin was de aanrijding goed hoorbaar.

Terwijl ik uitstapte zag ik twee motoragenten aankomen. Als ik niet zo was geschrokken had ik erom kunnen lachen. Gelukkig had ik alles bij me. Autopapieren, rijbewijs, schadeformulier. Dat laatste was niet nodig. Er was geen schade.

“Het kan iedereen overkomen,” zei één van de agenten vergoelijkend toen de fietser was weggereden. Over die zin dacht ik nog lang na. Het kan iedereen overkomen. Klein hoekje enzo.

Maar wat nou als … of als … Ook dát kan dus iedereen overkomen.