Alles is liefde…


C’est le ton….

– “Zeg schat, weet jij eigenlijk wel hoeveel ik van je hou?”
(verward/verschrikt) “Huh? Hoezo?”
– “Nou, we hebben toch volgende week die borrel van jouw werk?”
(behoedzaam) “Ja…”
– “En nu heb ik speciáál voor jóu, voor jóuw werk en jóuw borrel, vanochtend een nieuw jurkje besteld. Líef he? En hij was echt niet goedkoop hoor, écht niet.”

(gealarmeerd) “Duur dus.”
– “Een beetje maar. En weet je wat?”
(argwanend/geschrokt)“Nou?”
– “Ik dénk zelfs, ja dat zou zomaar kunnen, dat ik zelfs zóveel van je hou, dat ik er vanmiddag – speciaal voor die borrel-, gewoon nog even een paar mooie laarzen bijshop. Nou?”
(zuchtend) “Tegen zoveel liefde kan ik niet op.”

Oeps… sorry!


Ik ben niet iemand die er zomaar van alles uitflapt.

Mij zul je niet zo snel horen zeggen dat ik een bepaalde opmerking niet leuk vind, dat ik je nieuwe vriend niet mag of dat ik vind dat je kind zich niet goed gedraagt. Ik ben meer van de mantel der liefde, van de splinter in het eigen oog. En van het ‘kijk eens in de spiegel’-principe.

Toch komt wat ik zeg niet altijd even goed over. Dat dit meer te maken heeft met onbenulligheid dan eerlijkheid blijkt wel uit het voorbeeld van gisteravond: tijdens het lenteklaar maken van de school joeg ik een collega/moeder de stuipen op het lijf door heel verongelijkt te zeggen dat ik vreselijk naar brand stonk. Dat kwam natuurlijk door het vuur op de Middeleeuwse boerderij, maar die moeder schrok zich een ongeluk omdat ze dacht dat mijn huis was afgebrand. Niet handig.

Ik heb ook wel eens tegen een accountmanager gezegd: “En hoelang duurt dat, schat je?” Als je het hardop zegt snap je wel waarom ik daarna hevig moest blozen. En wat te denken van de keer dat ik een grapje maakte over ‘rare Chinees’ tegen iemand die bleek met een Chinees getrouwd te zijn.

Het stomst wat ik ooit heb gezegd was eens tijdens Jazz hier in de stad. Het was onwijs druk en op de een of andere manier kwam ik allemaal mensen tegen waaraan ik echt geen behoefte had. Een ex, een duffe collega, iemand die ik niet mocht, die types. Later die avond – borreltje op – kwam ik een oude vriendin tegen met wie het destijds allemaal een beetje vreemd was gelopen.
“Gezellige drukte hè!” zei ze, toen we even stonden te kletsen.
“Nou,” zei ik. “Alleen kom ik op de een of andere manier alleen maar mensen tegen aan wie echt ik totaal geen behoefte heb.”

Daar bedoelde ik haar niet mee, echt niet. Maar ze liep wel boos weg. Oeps.

Wat is het stomste dat jij ooit per ongeluk gezegd heb?

Met mijn Zusters

Een puntmuts, zwarte High Heels en een cape. Ik was klaar voor het Heksenavondje.

“Als ze me nou in een kikker veranderen, willen jullie me dan kussen?” vroeg ik de meiden. “Ja hoor,” zei Annabel. “We kussen sowieso alle kikkers die we vangen.” Echt? Ja. O help. Ja, dat krijg je met een heks als moeder.

“Ik vind je een beetje eng,” zei Annabel. “Maar ook wel mooi.” “Waarom neem je de bezem niet mee,” vroeg Lizzy. De bezem. Dat was eigenlijk wel een goeie. In de tuin stond een echte heksenbezem, die zou wel indruk maken op mijn Zusters.

Helemaal in het zwart, gothic ogen en met een bezem in mijn fietstas, zo reed ik weg. “Je lijkt wel een soort schoorsteenveger,” zei Paul. “Pas op, daar komt de bezemwagen,” grapte de buurman. Ik stak mijn tong uit. “’t Is toch donker.”

Maar in de stad was het niet donker. Fietste ik hoor, in mijn lange zwarte jas en met een bezem als knalpijp. De opmerkingen waren niet van de lucht. “Hé,” riep iemand. “Is je bezem kapot?” “Vond je het te koud om te vliegen?” Eén van de lolbroeken kwam zelfs naast me fietsen en knoopte een heel gesprek met hem aan. Pas toen ik zei dat ik naar mijn wekelijkse breiavondje ging, haakte hij af.

Tot zover mijn immer goeie ideeën.

Het Heksensfeest was al in volle gang toen ik binnenkwam. Een voor een druppelden de Zusters binnen. Ik kreeg een glas koeienserum (18%) in mijn handen gedrukt. De tafel stond vol met heerlijke heksenhapjes en het rook naar pompoentaart, soep en geurkaarsen. Hoofdheks S. deelde spreuken uit. “De spreuk – hardop voorlezen graag – kiest jou,” zei S. “En die wijsheid kan je niet negeren.” De liefde bedrijven is net als touwtje springen, las ik. Je kunt het niet de hele dag doen.

Tjonge. Dat seksverhaal blijft me wel achtervolgen zeg.

We goten kaarsvet om onze toekomst te bepalen. Mijn ‘toekomst’ hield het midden tussen een koraalrif en een pennenset. “Misschien word je ’s werelds eerste onderwaterschijfster?” opperde een van de Zusters. Zij had makkelijk praten. Zij had net een fallus én een baarmoeder gegoten. Dan weet je genoeg.

Ik ga niet trouwen, zo wees een schoenentest uit (geen idee wat die inhield, de test speelde zich buiten mijn blikveld af, ik zat net aan het koeienserum met Zuster A.) En ik krijg geen kinderen meer (mooi, meteen even de wieg op marktplaats zetten). Eén van de zusters zong een mantra met ons (om mani padme hum) wat echt heel grappig was want zoiets had ik nog nooit gedaan.

Tegen middernacht vond ik het welletjes geweest. Ik was moe van de mantra’s, tureluurs van het toveren en katterig van het koeienserum. Ik pakte mijn bezem, zette het raam open en vloog naar huis.

Dit keer had ik geen last van vervelende opmerkingen.


Spinnensalade van Zuster A.

Heksen!

“Wat gaat u met die vijf pompoenen doen? Ik weet geeneens wat ik er met één zou moeten!”

Verbaasd draai ik me om. De vrouw achter me – ik schat haar een jaar of zestig – kijkt me vragend aan. Terwijl ik de laatste pompoen op de kassaband leg, denk ik na over haar vraag. Ik stel me voor hoe ik iemand eenzelfde soort vraag zou stellen. Bijvoorbeeld: “Wat gaat u met dat gezinspak condooms doen? Ik weet geeneens wat ik er met één zou moeten.”

Nu.

Aangezien de vrouw me de vraag zo eerlijk stelt, besluit ik dat ik haar ook eerlijk zal antwoorden. “Ik heb vrijdagavond een heksenavond,” leg ik uit. “En ik ga voor tien heksen Pittege Pompoensoep maken. Met vleermuisnageltjes.” De vrouw doet verschrikt een stapje achteruit. (Zou dat door de heksenavond komen of door de vleermuisnageltjes?) “Bent u een heks dan?” vraag ze. Ik denk aan Paul en mijn collega’s.
“Soms,” zeg ik eerlijk.

De vrouw staart naar de vijf pompoenen op de kassaband. Ze weet duidelijk niet wat ze moet zeggen. Ik leg haar niet uit dat de heksenavond een Poolse traditie is op zeventwintig november. En dat mijn vriendin S., die de avond organiseert, Pools is. Nee, natuurlijk leg ik dat niet uit. Wanneer je mensen zomaar dingen vraagt, kan je ook zomaar een eerlijk antwoord krijgen. En ja, daar kan dan best een eng verhaal achter zitten!

Precies de reden waarom ik iemand ook nooit naar een familiepak condooms zou vragen.

Esthers pittige pompoensoep met vleermuisnageltjes

1 biopompoen – uitgehold niet geschild, wel gewassen, in stukken –
2 liter bouillon
½ Spaanse peper – in stukjes –
Klein stukje gember – geschild en in stukjes –
2 tenen knoflook
2 middelgrote uien
Mosterd
Zout

Kook de pompoen ongeveer veertig minuten in de bouillon
Giet bouillon af tot gewenste dikte
Roerbak ui, knoflook, gember en peper (zorg ervoor dat de ui ietsjes aanbakt zodat je later in de soep leuke donkere ‘vleermuisnagels’ krijgt).
Pureer pompoen inclusief bouillon en de roergebakken groenten
Voeg een theelepel mosterd toe
Voeg zout toe naar smaak

Eet smakelijk

Que sera…

Terwijl ik sta te strijken spelen Annabel en haar ‘geloofde’ J. met de barbies.

Annabel: “Deze barbie heeft niets om aan te trekken.”
J.: “Maar ze heeft heel veel kleertjes.”
Annabel: “Die zijn niet goed. Daar heeft ze een te dikke kont voor.”

J.: “O! Een barbecue! Ze gaan barbecuen.”
(Ik – enthousiast – : “Een barbie-cue!”)
Annabel: “Goed. Als haar vriendinnen ook mogen komen dan.”
J.: “Denk je dat ze een wijntje erbij willen?”
Annabel: “Ja, schenk maar in. Leg jij even het vlees op de barbecue?”

Annabel: “Mam, wil jij de bank opblazen?” **
Ik: “Natuurlijk. Die bank is al best oud, hij was vroeger van mij.”
Annabel: “Zat jij daarop als baby?”
Ik: “Nee mallerd, daar speelde ik mee.”

Annabel: “Ze doet haar zilveren hakken aan. Die vindt ze het mooist.”
J.: “Ik vind ze allemaal zo mooi!” (zucht)
“Alleen deze moet weg. Die heeft een te lange jurk aan.”
Ik: “Hou je daar niet van?”
J.: “Nee, ik hou meer van korte jurken.”

Annabel: “Zo, nu gaan ze met elkaar praten.”
J.: “Waarover? Waarom? Moet dat?”
Annabel: “Ja. Dat moet.”

Annabel: “We moeten zo wel opruimen, het is een zooitje hier.”
J.: “Valt toch wel mee?”
(…)
Annabel: “Ach, dat begrijp jij toch niet.”
J.: “Nou, dan ga ik wel buitenspelen.”

“Wil je weten hoe het leven van jouw zoon en schoondochter er over pakweg twintig jaar uitziet?”
sms ik de moeder van J. “Lees dan mijn weblog.”

** In een ander verband is dit best een rare opmerking!

Snaaikont

De voorraadkast in de keuken lag bomvol.

Nootjes, chipjes, zoute kaakjes, een rantsoen voor minimaal een half jaar. Sinds Annabel haar verjaardag zaten we met een chipsoverschot. De kast lag zelfs zó vol dat ik enkele zakken chips in de kelder had ‘verstopt’.

Paul sloeg zich er goed doorheen. Hij houdt wel van een chipje en ’s avonds zag ik hem regelmatig al knabbelend op de bank zitten. Ik zag het met lede ogen aan; mijn die-eet-niet staat immers geen vettigheid toe.

Gisteravond was het ‘meidenavond’. Paul zou laat thuis zijn en ik had Liz en Bel beloofd dat we spelletjes zouden doen met ‘een wijntje’ (d.w.z. ik wijn en de kletsen druivensap) en een chipje. Een succesformule waar ze de hele dag naar uitkijken.

Echter toen ik rond acht uur de kast indook, moest ik constateren dat deze, op een halve zak overjarige pelpinda’s na, helemaal leeg was! Wanneer was dat gebeurd? “Geen probleem, mamma heeft geheime voorraad,” zei ik. Ik dook de kelder in. Maar ook daar ving ik bot.

Paul had eigenhandig de complete chipsberg weggewerkt! “Mamma,” zei Lizzy boos. “Je moet het echt beter verstoppen. Je wéét toch dat pappa anders alles opeet!” “Ja,” knikte Annabel. “Hij is een echte snaaikont.”

Post-it: Geheime bergplaats chips zoeken.

Financieel advies

Uitverkoop. Alles 75% korting.

Ik heb mijn blik laten vallen op een leuk rokje. Maar ik twijfel. Moet ik het wel doen? Het is een hartstikke leuk rokje, maar goedkoop is het niet. Ondanks de sale. En ik heb al zoveel gekocht vandaag.

In mijn hoofd reken ik uit hoeveel ik heb uitgegeven. Kan het er nog vanaf? We zitten tenslotte middenin een kredietcrisis, daar moet ik niet te licht over denken. In gedachten ga ik mijn banksaldo na, mijn tegoeden, ja, zelfs mijn aandelen komen daar tussen de kledingrekken aan bod. De financieel adviseur in mij is best kritisch.

Maar dan krijg ik hulp uit onverwachte hoek. Aangetrokken door mijn peinzende blik verschijnt een winkelmeisje. Dat ze echter mijn denkrimpel niet helemaal goed geïnterpreteerd heeft, blijk wel als ze begint te praten.

“Het is heel makkelijk,” zegt ze behulpzaam. “Vijfenzeventig procent korting betekent dat u de helft van de prijs moet nemen en dan dáár weer de helft van. Snapt u?”

Voor de lieve vrede II

Lizzy en Annabel staan voor de kerstboom.

“Mamma, luister eens,” zegt Lizzy. Klingelingelingeling. Klingelingeling. “He, ik hoor een klingelklokje!” Annabel knikt stralend. “Ja. We hebben Tuffy’s oude bel in de kerstboom gehangen.” Ik kijk over hun schouders en zie een klein zilverkleurig klokje tussen de groene takken. “Verrek zeg,” roep ik. “Wat slim van jullie!” De kletsen werpen een stichtelijke blik op de kerstboom. “Zo is Tuffy toch nog bij ons met kerst,” zegt Lizzy. “Lieve Tuffy,” zucht Annabel.

En dan moet ik even slikken.