De Zwerm


“Schiet eens op, ik heb geen zin om nat te worden!”

Ik sta in de regen bij mijn groene Peugeotje en ik wil net boos worden als de meiden eindelijk de voordeur achter zich dichttrekken. Nog geen halve minuut later zijn we vetrokken. Op weg naar het zwembad. Hoera.

Ik rijd twee keer verkeerd wat mijn humeur niet ten goede komt. Ik heb zo géén zin in het zwembad! Die bedompte chloorlucht, die vieze tegeltjes. En dan moet ik straks zeker ook nog mee naar het buitenbad. Bah. Geef mij de zee maar, daar word ik een stuk gelukkiger van. Ik zal blij zijn als ik straks in ‘t vliegtuig zit.

Om half elf nip ik van mijn cappuccino. Plastic kopje, plastic zwembadstoeltje. Het is in elk geval lekker rustig hier. De Kletsen zijn vertrokken naar de glijbaan en ik begin een beetje bij te komen. Goed, de chloorlucht valt niet te ontkennen maar verder? Ik zit hier lekker met mijn boek “De Zwerm”, ’t had erger gekund.

Begin van de middag klaart het buiten op. Het buitenbad ziet er opeens een stuk aantrekkelijker uit. “Zullen we in het bubbelbad buiten?” vraagt Lizzy. Ik gooi een muntje in het bubbelapparaat en al snel zitten we heerlijk warm in onze eigen whirlpool. Gezicht in de zon, uitzicht op het bos. Als de meiden weer zijn verdwenen haal ik “De Zwerm” uit mijn tas en lees verder.

“De Zwerm” gaat over zeeen en oceanen. Het boek begint vriendelijk met walvisspotters en aardige wetenschappers. Het verhaal is echter, sinds ik hier in het zwembad zit te lezen, steeds verontrustender geworden. Walvissen gedragen zich agressief, overal duiken giftige kwallen en zeewespen op, een of andere enge worm ligt op de loer ergens aan de rand van het continentaal plat. Overal ter wereld vallen doden op het strand en in de zee. Er loert iets, er vormt zich iets. Maar wat?

Terwijl ik gespannen verder lees over moordende bultruggen, schimmels en methaanexplosies in zee bedenk ik dat het eigenlijk toch wel fijn is als je de bodem van het zwemwater kan zien, zoals hier. Daarbij vind ik het geruststellend dat de enige kwallen die je hier tegenkomt twee benen hebben en verder niet giftig zijn. Ik zucht diep en sla weer een bladzijde van “De Zwerm” om. Naast me zijgt iets neer dat weliswaar iets wegheeft van een walvis (m/v) maar er verder niet agressief uitziet. De schimmel op de tegeltjes vind ik plots niet zo erg meer.

Eigenlijk, denk ik tevreden, is zo’n zwembad helemaal zo gek nog niet.

Reisverslag IV -Slot-

Het vervolg

Het was en bleef goed toeven daar in Italia. Vanaf het strandterras zag ik Lizzy en Annabel hand in hand naar de vloedlijn lopen om schelpjes te zoeken. Elke dag een beetje blonder en een beetje bruiner, net als ik. En hoewel ik gevoelsmatig elke dag een kilo aankwam, genoot ik intens van het eten. Pizza, pasta, pesce, allemaal even lekker.

En dan was er nog de wijn natuurlijk. “Frizzante,” getapt in de supermarkt. Te lekker en te goedkoop om ‘s avonds nuchter te blijven. Op de huilbaby van de buren na, was er na tienen rust. We kletsen, lazen of kaartten. Ultiem vakantiegevoel. Terwijl Paul een paar oververmoeide en mopperende kinderen op bed legde (en zich ergerde aan de huilbaby), schonk mezelf op het terras nog een vino in. “Mooi hè,” zuchtte ik, zo met die krekels. “Als je ze hóórt wel, ja.” zei Paul.

’s Nachts was het af en toe wat behelpen. Paul wilde de airco altijd op standje ‘bevriezen’ waardoor ik elke ochtend weer vreesde met een ijspegel in mijn neus wakker te worden. Toch stonden we altijd weer zonnig op. Vooral toen de huilbaby van de buren een ritme leek te ontwikkelen. (Lizzy: “Ach, die baby wordt ook een dagje ouder!”)

“Het wordt weer een drukke dag vandaag,” zei vriendin F. op een ochtend. “Moeten weer bier kopen.” Om maar even aan te geven hoe drúk we ermee waren daar in Italia. Op een bezoekje aan de markt en een boottripje naar kanteiland Burano (fantastisch eiland, vol gekleurde huisjes) na, voerden we vrijwel niets uit. Een strand, een zwembad en een strakblauwe lucht. Meer hadden we niet nodig.

Op de laatste dag dreef ik met Lizzy samen op het luchtbed. Onze bruine benen lagen over elkaar heen. Voor ons lag het strand met al zijn kleurige parasolletjes. Achter ons het grote blauwe water van de Adriatische Zee. Het was een “momentje”, vond ik, zo samen op de zee. In de stilte – Lizzy sliep bijna – dacht ik na over alles wat er voor de vakantie was gebeurd. De dood van mijn oma, mijn werk, examens, gedoe met de kinderen en natuurlijk mijn boek.

Ik was er aan toe geweest, besloot ik. Deze rust was goed voor me. Hier kon ik mijn gedachten de vrije loop laten, want ik had er zoveel. Hier, drijvend op het blauwe water, zou niets de rust verstoren. Ik sloot mijn ogen en kuste mijn dochter op haar kruintje.

En op dat moment sloegen we om.

Heb ik weer!

Ik kom vaak in de dierenwinkel.

Niet alleen zit deze (gratis) mini-Zoo bij ons om de hoek, ze hebben er ook allerlei leuks. Vogels (onze Tuffy kwam er vandaan), eekhoorntjes, enorme konijnen, tropische vissen en, last but not least, een grote afdeling reptielen.

Geen idee waar ze ’t vandaan hebben, maar de meiden vinden reptielen geweldig. Wanneer we even gauw iets voor de vogels kopen, willen ze altijd kijken. En zo liep ik daar gisteren weer, tussen de vogelspinnen, slangen en langs de kleine (maar angstaanjagende) babykrokodil.

Achter ons was iemand de boom in het papegaaienhok aan het snoeien. Terwijl wij de bontgekleurde slangen bekeken gooide men tak na tak op de stapel. Boven mijn hoofd kriebelden enorme spinnen door hun hok. Fascinerende beesten, maar niet geschikt als huisdier. De rillingen liepen over mijn rug.

Op het hok van één van de slangen zat een etiket. “Pas op, reageert snel.” Terwijl ik me gespannen afvroeg wat deze onheilspellende boodschap betekende, tikte Lizzy tegen het terrarium. Prompt schoot de slang naar voren om naar het glas te happen. Daarna ging het snel: ik schrok en automatisch deed ik een stap naar achter. Precies op dát moment gooide de dierenverzorger per ongeluk een flinke tak op mijn schouder.

Je hebt geen idee hoe hard ik gilde.

In de bocht, uit de bocht

Het is onderhand bekend.

Ik ben blessuregevoelig (lees: nogal lomp) en ik hou niet erg van sporten. Aquarobics overleef ik nog net vanwege de gezellige club en de leuke muziek en verder fiets ik regelmatig naar mijn werk. Ik loop naar de supermarkt en neem altijd de trap. That’s it.

Vroeger heb ik altijd aan volleybal gedaan. Daar was ik nog wel aardig goed in. En leuk was ’t ook, met een stel leuke meiden wekelijks een wedstrijdje spelen. Daarna bijkletsen in de kantine. Maar we werden ouder en de club viel uit elkaar. ‘k Heb nooit meer zoiets teruggevonden.
De eerste keer dat ik naar tae kwan do ging kwam ik met een blauw oog terug. De week daarna had ik een geschaafde wang. Daarna mocht ik niet meer. Ik ging naar de sportschool. Samen met een vriendin hield ik dat wel een tijdje uit maar uiteindelijk zaten we vaker aan de bar dan in de zaal.

Na de geboorte van Lizzy sportte ik lang onder begeleiding om gewicht te verliezen. Dat lukte, maar het was te duur om ‘standaard’ te gaan doen. Net als winkelen. Dat is ook goede lichaamsbeweging, maar het is ook nogal duur. Ik moest onderhand toch echt weer eens wat anders verzinnen.

Dus toen vriendin B. met het idee kwam om gewoon elke week een uur ‘a avonds te gaan wandelen (en dan flink doorstappen) vond ik dat een uitstekend idee. Low impact, tijd om de laatste roddels door te nemen en weinig kans op letsel. Dacht ik.

Tot ik gisteravond op de fiets naar onze ‘date’ onwijze onderuit ging in de bocht.

En nu loopt ik mank.

Een leuk gesprek!

Heb ik weer!

Ga ik gistermiddag leuk bij oma op visite, word ik uitgekafferd door een bejaarde! Ik dacht eerst nog dat hij een geintje maakte want hij begon – tijdens het eten – te mompelen dat ‘die meneer’ (mijn broer) zijn mond eens moest houden. We hadden de krasse knar vriendelijk toegeknikt en waren vervolgens doorgegaan met het eten geven van oma. Onderwijl gezellig keuvelend.

Maar de bejaarde bleef er een beetje in hangen. “Je moet niet praten, wees eens stil,” mopperde hij. Hij begon zijn stem te verheffen. “STIL!” “O hemel,” riep ik uit, “hij méént het!”. De mevrouw naast ons legde uit dat het bij meneer thuis vroeger altijd doodstil moest zijn tijdens het eten en dat hij dat nu in het verzorgingshuis ook verwachtte. Arme oude baas, dacht ik. Vriendelijk knikte ik hem nogmaals toe.

Waarop hij zich voorover boog, me aankeek, en siste: “En jij, jíj komt zeker van het woonwagenkamp!”

Tutti Frutti XIV

Met dank aan alle inzenders!

“Dan krijg je nul op orkest.”

“Praat me de bek d’r niet van.”

“Zet je oogkleppen nou eens open!”

“Dat heb ik over het oog gezien.”

“Ik ga me niet in mijn kaarten laten lezen.”

“Je kan er je kont niet krabben.”

“Dat moet ’t paradeplaatje van het bedrijf worden.”

“Ik stel sterk mijn vraagtekens.”

“Dat moeten ze eerst gladpoetsen.”

“Dat breekt me de nek.”

“Hij was helemaal van de rooie.”

“Dan bijt ik ook mijn tanden erin.”

“Hoe je ’t ook draait of keert.”

“Hij hing recht in mijn gezicht op!”

“Alle puntjes op een rij zetten.”

“Je eigen gat graven.”

“In een schoon blaadje komen.”

“Met gescheurde banden reed ze weg.”

“Dat heb je uit je mouw gezogen!”

“Waar je die waarheid vandaan haalt is me ook een sprookje!”

De kist

Onze witgeschilderde kast is een groot succes.

En succes smaakt naar meer. Zo werkt het nou eenmaal; ben je van de ene ergernis af, valt de andere opeens meer op. Nu de ene kant van de kamer helemaal naar mijn zin was, het oogt veel ruimer, moest ook het speelhoekje van de kinderen er aan geloven.

En dus stuurde ik Paul marktplaats op om een houten kist te zoeken. (Hier is zó verdeeld dat ik degene ben die het fysieke shoppen doet en Paul het digitale.) Al snel vond hij een mooie kist. Eikenhout, goed te schilderen (wit natuurlijk) en groot genoeg voor een heleboel speelgoed.

Gisteravond ging hij hem halen. De kist stond in de hal van een enorm huis. “Het is een prachtige kist,” zei de oude baas die de kist van de hand deed. Hij had een beetje melancholiek geklonken. “Groot genoeg om van alles in op te bergen.” Paul had geknikt en verteld over het kinderspeelgoed. “Ja,” bevestigde de oude man. “Je kunt er écht van alles mee.” Paul vertelde later dat de oude baas een beetje triest naar de kist had gekeken. “Je kunt er zelfs in gaan liggen als het einde nadert,” had hij gezegd.

“Er viel een stilte,” zo vertelde Paul later. “Waarna de oude man zijn keel schraapte en grinnikte. Hij gaf me een knipoogde en zei: ‘Maar ja, het is mijn smaak niet.’”