La Mindy

Over superhelden gesproken.

Vanmiddag gaan Lizzy en ik naar de theatershow van Mega Mindy. En voor wie La Mindy niet kent; ze is een échte superheld! In een roze (!) pakje, en met wapperende krullen, vliegt ze stad en land af om ons te bevrijden van allerhande tuig en gespuis.

Mindy’s alter ego Mieke (‘girl next door’ wanneer geen superheld) is politieagente. Ze is in ‘t geheim verliefd op collega Toby, maar díe heeft het natuurlijk weer de hots voor de stoere Mega Mindy. Balen! Mieke schrijft er vaak over in haar dagboek, wanneer ze mijmert over haar eerste kus.

Girlsstuff
dus, die Mega Mindy. Hartstikke populair onder meisjes van ongeveer nul tot honderd. Iedereen wil tenslotte wel een roze superheld zijn. Niet voor niets vliegen de Mega Mindypakken als warme broodjes over de toonbank. (Let op, tegenwoordig ook in volwassenmaten te verkrijgen!)

En vanmiddag gaan we haar zien. In het echt. In het roze. Met Toby. Ze gaat haar leuke liedjes zingen (“Ik ben Mééééga Mindy, ben een echte superheld”) en waarschijnlijk vangt ze hier of daar wel een boef. Ik heb zelfs begrepen dat z gaat vliegen! Supercooldude.

Maar goed. We zullen het vanmiddag beleven. De kaartjes liggen al weken in de kast en één ding is zeker, hier in huis is een klein meisje érg opgewonden.

En Lizzy heeft ook veel zin! 😉

Jåmmer

Ik zag ze meteen.

In een witte mand, vlak bij de ingang. Ik had net de kinderen in smålland gedumpt en was onderweg naar de afdeling verlichting. En daar zag ik ze weer. Goed verlicht natuurlijk. Naast de skimra-lampenkappen. Dapper liep ik erlangs.

Ter hoogte van het restaurant leek het even mis te gaan. Een heel grote bak vol! Het rode plastik leek me toe te schreeuwen: “Pak mij, pak mij!” Gelukkig leidde mijn buurvrouw me af. We betaalden onze cappuccino en gingen zitten.

Ze bleven me achtervolgen. Doken op bij de Ljuvlig- en Anrik keukenspullen en bij de Stenstorp meubelen. “Ga weg,” siste ik. “Ik mot jullie niet. Ik walg van jullie. Ik krijg pukkels van jullie.” Als ik niet beter wist zou ik denken dat ze me uitlachten.

Uiteindelijk stond ik daar bij de kassa. Ik wiste het zweet van mijn voorhoofd. Ik had het gehaald, ik was er aan voorbij gegaan. Mijn maag knorde, maar ik was gered. Ik kon relaxen. Langzaam begonnen mijn verkrampte spieren zich ontspannen.

En toen zag ik ze. Eén meter voor de kassa, een schap vol. Ik voelde mijn maag knorren, de weerstand verslappen. Dit was teveel op één dag. Trillend strekte ik mijn hand uit.

Weerloos legde ik een zak in mijn karretje.

Digidraakje

Annabel heeft het internet ontdekt.

Sinds een paar weken doet de driejarige peuterpuber niets liever dan een beetje rommelen op de laptop. Het begon met een simpel spelletje maar inmiddels organiseert ze online al complete partijen voor de Little Ponies. Werkelijk, dat kind is hándig, dat wil je niet weten! “Baby Gates”, noemen we haar tegenwoordig.

Eerst dacht ik nog dat ik het uit moest leggen. “Dit is de muis,” zei ik en ik wees op het ergonomisch vormgegeven apparaatje naast de laptop. “Weet ik,” knikte Annabel, waarop ze de muis greep en over het scherm begon te racen als een volleerd motorcoureur. “Moet ik nog even uitleggen hoe je…?” vroeg ik voorzichtig. “Nee hoor,” zei Annabel.

En nu hebben we dus een probleem. Want DigiBel vindt dat de laptop van háár is. En dat er ze te allen tijde een beroep op mag doen. “Ik wil een computerspelletje doen,” zegt ze, ongeveer vijf minuten nadat ze is opgestaan. Grote zus wordt zonder pardon weggestuurd. “Dat kan ik zelf,” snauwt het kleine spook.

Ik had het kunnen weten, ze wilde als eenjarige al bij me op schoot achter de ‘kokoeter’. Maar goed, “dat zal wel loslopen,” dacht ik toen. Maar het liep niet los. Bits en Bytes zijn haar ding. Als ze niet direct haar zin krijgt huilt ze hartverscheurend. “Ik wil een compoehoehoehoe- terspelletje,” brult het arme miskende genie.

Afijn, als ik dus af en toe een dagje oversla dan weten jullie waardoor het komt.

Dan zit de digidraak te hacken.

Polskie ludzie są zabawne

We spraken Engels.

Dat was wel handig want ik spreek geen Pools, geen Roemeens en geen Arabisch. En behalve mijn (jarige) Poolse vriendin S. (en haar Hollandse man) sprak niemand Nederlands. Tenminste, totdat er drie Nederlanders binnenkwamen. (Wat erg verwarrend was.) Toen ontstond de spreekwoordelijke Toren van Babel.

Een paar vrienden van S. waren helemaal voor haar verjaardag met de auto uit Polen gekomen. Als dát geen vriendschap is. En ik heb vreselijk met ze gelachen. Echt, die Polen hebben humor zeg! (Het land laaft zich kennelijk aan tradities, die eigenlijk iedereen vreselijk vindt. Daar kunnen ze leuk over vertellen!) Kortom, Paul en ik hadden het erg naar ons zin.

En S. (jullie kennen haar als Kikker) blijkt een goede blogpromotor. Al dan niet vertaald stuurt ze hele stukken van mijn weblog de wereld over. “Laatst toen ik in Tanzania zat heb ik zo’n grappig stukje van je gelezen!” zei één van de Nederlandse meisjes. “Please tell the story again about the Polish women and the chocolat,” vroeg een ander.

Bij het afscheid vroeg één van de Poolse meisjes of ik nooit moeite had onderwerpen te verzinnen. “Soms,” zei ik. “Maar zolang er nog teksten van mij naar Afrika reizen en ik op een verjaardag met een paar leuke Poolse meiden mijn stukjes kan bespreken is er nog genoeg te schrijven.”

Ik kreeg spontaan een kus van haar.