Inspanningsfobie

Ik heb mijn sportschoolabonnement opgezegd.

Dat heeft deels te maken met de crisis (zo heb  ik ook de krant opgezegd en de hypotheek omgesloten) en deels met mijn aangeboren neiging tot luiheid. Ik ging namelijk nooit. Feitelijk vond ik ‘de crisis’ wel een goede reden om mijn abonnement te beëindigen aangezien een uurtje sporten mij – omgerekend – gemiddeld drieënzestig euro kostte.

Laten we eerlijk zijn, voor dat geld kan ik beter gaan shoppen want daar verbrand je ook heel veel calorieën mee en daarbij heb ik géén last van mijn inspanningsfobie (win-winwinkelen noem ik dat )!

Afkopen

Ik vind sporten niet leuk en daar kom ik eerlijk voor uit. Mijn aquarobicsklasje gaat nog wel, maar abonnementen op sportscholen zie ik voornamelijk als het afkopen van schuldgevoel. Wat voorts ook weer schuldgevoel oplevert, want ik ga nooit, dus zijn ze vooral duur en niet effectief. En ja, wat vliegt er als eerste uit als er bezuinigd moet worden? Inderdaad.

En zo werkt het bij héél veel vrouwen zo werkt.

@ Home

Dat sportscholen het moeilijk hebben kan ik dan ook goed begrijpen. Niet alleen omdat veel mensen het nou eenmaal wat krapper zitten de laatste tijd, maar ook omdat mensen door allerhande oorzaken op zoek gaan naar andere manier om te bewegen. Ze kiezen voor een gespecialiseerd instituut (medische insteek, damessport of een personal trainer), of ze doen – net als ik nu – de ‘work out’ @home: door zelf het huis schoon te maken en vaker de fiets of de benenwagen te nemen.

Over de kop

Sportscholen doen hun best om het hoofd boven water te houden. Volgens een artikel in AD afgelopen zaterdag hebben ze hierin twee keuzes: ze gaan ‘bugdet’ of ze kiezen voor een specialisatie. De rest is ten dode opgeschreven. Elke twee weken gaat er één over de kop. “We moeten niet klagen maar werken”, aldus een sportieve reactie van een sportschoolhouder op internet. Ik wens hem alle succes.

In theorie

Ikzelf heb ondertussen een app gedownload – 7 minuten workout – om elke dag thuis een paar oefeningen te doen. Nog niet één keer gedaan trouwens, maar in theorie ben ik goed bezig; ik ben zeker van plan om er mee aan de slag te gaan. Ook in de praktijk ben ik blij met mijn app: er tenminste geen duur abonnement aan vast!

Meer lezen? Op www.esthervuijsters.nl gaat het over naturistenlingo …

Hoe het begon


We hingen nét een kwartier in de lucht toen Annabel vroeg ‘hoever het nog rijden’ was.

“We vlíegen hoor!” zei Liz, terwijl ze ondertussen een beetje twijfelend naar mij keek. Het leek alsof ze het allemaal niet zo vertrouwde. Wie zei haar dat we niet inmiddels aan het neerstorten waren?! Ondanks de Rescuspray van Bach die ik op haar tong had gespoten, was ze er niet bepaald gerust op.
Ik knikte de meisjes bemoedigend toe.

Ja, we vlogen.
Ja, alles ging goed.
Ja, stoel 19 A t/m D waren de veiligste plekken van het vliegtuig.
En dat rare geluid hoorde erbij, dat was gewoon de motor. (Tenminste, dat hoopte ik.)
Gerustgesteld bogen de meiden zich weer over hun Arke-kleurboek en kleurden verder met hun Arke-kleurpotloden.
Mooi, die waren weer rustig.

Nu ík nog.


Al een uur op Schiphol en nog geen zon!

Ons appartement, mét terras en óp de begane grond, bleek nogal retro (in het meest gunstige geval) en de keukeninventaris was, met drie kopjes en een koekenpan niet bepaald uitgebreid. Maar alles bij elkaar was het helemaal niet slecht. “Als je drie sterren boekt moet je er ook geen vijf verwachten,” zoals een wijs iemand eens op Zoover schreef.
De bedden waren prima, alles werd goed schoongemaakt en we hadden uitzicht op een paar enorme palmbomen (en als je heel goed je best deed; op zee).
Het park was, zeker voor drie sterren, behoorlijk goed. (Alhoewel ik gedurende ons verblijf minstens drie mensen door hun stoel heb zien zakken, maar dat kan evengoed iets zeggen over de kwaliteit van de (strand) stoelen als over de hoeveelheden die sommige mensen op het park aten!)
Vrolijk en zonnig liepen we naar wat de komende twee weken ‘ons huis’ zou zijn. De paden van het park waren omzoomd met palmen, bloeiende struiken en veelkleurige bloemen. Er was een zwembad dat precies groot genoeg was voor twee Kletsen met een B-diploma (en hun ietwat neurotische ouders). Het park beschikte zelfs over een eigen Sunadvisor. Als je langs haar standje liep, zag je er steevast een paar rood-wit gevlekte Engelsen met flinke klodders suncream op hun lillende lijf liggen.


Mijn nieuwe vakantiejurkje!

Ach ja, de mensen op ons park. D’r liepen er wel types rond hoor! Nationalistische Spanjaarden (“Talk Spanies! You in Spain now!”), gegrilde Ieren (rood-bruin gestreept) en moddervette Engelse. Gelukkig zat ons huisje redelijk achteraf (en hadden we wél leuke buren die een levende babyborn mee hadden waar de Kletsen graag mee aan de wandel gingen), toch kon ik niet voorkomen dat Paul ’s ochtends bij het drukke, – nee, extreem drukke – ontbijtbuffet, uit zijn humeur raakte omdat hij opzij gebeukt werd door een Engelse met een kont zo groot als Robbeneiland waarna hij getergd zuchtte: “Es, volgend jaar gaan we op vakantie naar ’n hutje op de hei!”

Ik had minder last van de mensen dan Paul. Ik ergerde me niet, ik paste me gewoon aan. Bruin en blond werd ik vanzelf, de roze topjes combineerden leuk met mijn bruine armen en een grote blingbling E om mijn nek maakten mijn nieuwe look af. Paul noemde me al snel “Barbie” en even overwoog ik om ook maar meteen een tatoeage te nemen. Ik was tenslote ongeveer de enige vrouw op het park die er géén had.

“O mamma,” zuchtte Lizzy toen ik mezelf weer eens overtroffen had. “Zag je er altijd maar zo mooi uit!”


Ed – de knuffel – kijkt uit het vliegtuigraampje!



Ik en mijn nieuwe look!