Op Expeditie

Annabelletje moet naar de dokter.

En nu ik dat eenmaal heb besloten, moet het ook nú. Ik grijp de hoorn.

“Met het antwoordapparaat van uw Afwezige Huisarts.” Shit. Zal je altijd zien. “U kunt contact opnemen met de dokterscentrale.”

De dokterscentrale geeft me het nummer van de Vervangende Huisarts. Voor de derde keer toets ik een nummer in. “U spreekt met het antwoordapparaat van de Vervangende maar ook Onbereikbare Huisarts. Wij zijn er morgen om 08.00 uur weer.” Zucht.

08.00 uur. “Met de Assistente van de Vervangende Huisarts.” “Ik wil graag een afspraak. Graag zo vroeg mogelijk, ik moet werken ziet u.” “Kwart voor elf.” “Oké.” (Zucht)

Om elf uur is de wachtkamer leeg. Mooi, nu zijn wij. Ik sta al met mijn jas in de hand als de dokter langs me heen stormt. “Hallo, ik ben de Gehaaste Huisarts, sorry, spoedbezoek. Half uurtje wachten.”

Om twaalf uur fiets ik eindelijk naar de Vervangende Apotheek. Ik rommel wat met het recept, geef mondeling mijn gegevens door en probeer ondertussen via telepathische weg Annabelletje te waarschuwen dat er wat zwaait als ze ook maar érgens dreigt aan te komen. Thuis lever ik mijn peuter af en fiets door naar mijn werk.

Om kwart voor één ben ik op kantoor.

“Hoe ging het bij de huisarts?” vraagt Paul ’s avonds. Ik zucht en leg mijn benen op tafel. “Weet je nog die expeditie naar Antarctica, laatst op TV?” Paul knikt en kijkt me vragend aan. “Die viel eigenlijk best mee. Qua gedoe.”