Tutti Frutti IV

Met dank aan jullie en aan mijn informanten.

– Daar is geen pijl aan op te trekken.

– Dat zet geen zolen aan de dijk.

– Ik zie geen steek voor ogen.

– Zij zijn het topje van de zalm.

– Dat moet nog even in een jasje gegoten worden.

– Sommige mensen vinden het ei altijd halfleeg.

– Wat voor vis ik in de kuip heb.

– Ik zal ‘t door de ogen zien.

– Dat zuig ik uit mijn nek.

– Je moet de moed niet laten hangen.

– Mijn kwartje begint ook weer te zakken.

– Zo op het eerste oog.

– De doodgeverfde winnaar.

– Je weer maar nooit hoe het balletje kan lopen.

– Er kwam van alles aan het daglicht.

– Wie het onderste uit de kan wil hebben, krijgt de klepel op zijn neus.

En blijf vooral posten of mailen!

Advertisements

Van de pot en de rand

Zo zeg hè, wat kan een mens zich toch ontiegelijk beroerd voelen.

En dat van één enkele garnaal. Want laten we eerlijk zijn, de maïskolf, de watermeloen of de mozzarellasalade zullen het niet geweest zijn. En meer heb ik niet gegeten. Daarvoor was ik te druk met foto’s maken, kindjes op de schommel duwen en baby’s bij de barbecue weghalen.

Een garnaal dus. En ik kan je wél vertellen; die kleine zeeadder heeft flink huisgehouden. Gadverdamme, wat een ellende. Paul liet me nog uitslapen, maar evengoed kwam ik als een natte krant beneden.

Ik moet er wel erg zielig hebben uitgezien. Mijn schoonmoeder stuurde ons meteen naar huis. “Ik breng de kinderen vanavond wel terug,” riep ze. En nu ben ik dus maar wat aan het bijkomen. Ik ga me zo eens aan de beschuiten wagen. Meer durf ik nog niet aan.

“Ik lust geen gonalen” zei Lizzy gisteravond toen ik haar een paar roze ridders voorschotelde.

Ik lust geen gonalen. Wat een verstandige meid is het toch.

Zwart gat

Ik loop me de hele ochtend al súf te piekeren.

Gisteravond, nét voor ik naar bed ging, schoot me iets te binnen. Iets waarover ik eens een stukje zou willen schrijven. Meestal ren ik dan meteen naar mijn tas, vis er een notitieboekje uit, en maak een paar aantekeningen. Maar gisteravond kwam dat er niet van.

Het had de hele avond katten én honden geregend. Vriendin N. kwam met de auto, maar was evengoed doorweekt. We dronken een kopje thee. Voor het eerst in dágen dronk ik weer wárme thee. Ik had de tuindeuren wagenwijd open. In huis was het nog steeds flink benauwd. Gefascineerd keken we toe hoe het watergordijn achter de tuindeuren af en toe uiteengereten werd door een schelle lichtflits.

Tegen half twaalf stopte de regen. N. vertrok en ik liep in de keuken. Ik was moe, maar nog niet toe aan mijn bed. Je kent dat wel. Ik schonk een gintonic in en ging nog even op het balkon zitten. Na het gebulder van het onweer en de regen was het merkwaardig stil en donker. Een koel briesje waaide langs mijn blote benen. Het was heerlijk daar op dat balkon.

En op dat moment schoot het me te binnen. Dat ene, waarover ik dat stukje zou gaan schrijven. “Morgen,” dacht ik, “morgen is dát het eerste wat ik doe.” Ik ging naar bed, trok de klamboe dicht en las nog een klein stukje in de nieuwe Nicci French. Daarna zakte ik weg in een diepe slaap, zoals altijd wanneer ik tevreden ben over mezelf.

Maar vanochtend was het weg. Gewoon verdwenen. Ergens tijdens de middernachtelijke uren moet het eruit gesijpeld zijn. Misschien via een oor of zo. Dat zou natuurlijk kunnen. Dan zit het nu in mijn kussen. Of misschien heeft een mug het eruit gezogen. Die basterds vliegen nog regelmatig door één van de gaten in de klamboe naar binnen. Paul kwam om half twee thuis. Ik weet nog dat ik met hem heb gepraat. Misschien heb ik het hem toen wel verteld, waarover ik zou schrijven, en was ik het daarmee zélf kwijt. Of ik heb het stukgedroomd. Dat kan natuurlijk ook.

Ik weet het niet. Aan Paul kan het in ieder geval niet vragen; die is boodschappen doen. En zelf ben ik het helemaal kwijt. Het spijt me, het is gewoon weg. Echt weg.

Geen stukje dus vandaag.

Na regen komt zonneschijn

De zomers 1999 (Paul ontmoet) en 2003 (Lizzy hield na zes maanden eindelijk op met krijsen) staan al jarenlang in mijn Top 3.

De derde plaats is altijd een twijfelgevalletje gebleven. 1991; voor de eerste keer met vriendin samen op vakantie, 1994; de grote reis door Israël en Egypte, of toch 1996; de eindeloze Single ‘Swing’ Summer.

Maar nu is er de zomer van 2006. Een snelle stijger. Met stip binnengekomen in de Top 3. Een hittegolf in juni, een prachtige vakantie in Frankrijk, en een julimaand die zich met recht de warmste maand óóit mag noemen. Het zonnetje schijnt. Niet alleen in de lucht, maar ook in mij.

Vaak, als ik ’s avonds met een drankje in de tuin zit, denk ik terug aan vorig jaar. Zwanger toen het broeierig warm was, bevallen midden in een hittegolf. Daarna rondlopen met een lijf dat overduidelijk gebaard had en, last but not least, zwaar labiel onder de invloed van de horrormonen. Niet mijn beste zomer.

Ik neem een slokje van mijn cappuccino en kijk naar de blauwe lucht. “Hitte teistert Nederland” koppen de kranten. Téistert nog wel! Dat was nou niet het woord dat ik in gedachten had. Maar goed, ik heb dan ook makkelijk praten in mijn kantoor met airco. En met mijn abonnement op het openluchtzwembad. Ik weet niet wat het is om urenlang in een snoeihete auto te zitten.

Maar één ding weet ik wel. Vanaf morgen wordt het minder warm. En weet je wat dan het mooie is? Dat we afkoeling extra zullen waarderen. Met de zweetdruppels van de lange hittegolf nog op onze rug, zullen we extra genieten van de frisse briesjes en de regenbuitjes. Het is allemaal onderdeel van een groter geheel, moet je maar denken.

Want soms is er een nou eenmaal een dalletje voor nodig om te zien hoe mooi het op de top is.

Het openluchtzwembad I

De vrouw was overduidelijk flink zwanger.

Haar buik stak als een grote blanke heuvel boven het water uit. De mensen om haar heen hadden ontzag voor die reusachtige witte boei en maakten allemaal plaats voor haar. Ze dreef heel sereen, samen met haar baby. Ik keek naar haar vanaf mijn plekje op de kant. Ze was prachtig, zoals ze daar dobberde; haar ogen half gesloten, haar blik naar binnen gericht. Waar zou ze aan denken? Aan haar naderende bevalling? Aan haar baby? Of gewoon aan niets? Ik zag dat ze één hand op haar buik legde. Als een soort omgekeerd kommetje. Ze kwam schuin overeind en probeerde zich met één been op de bodem af te zetten. Ze duwde zichzelf richting de rand van het zwembad. Het kostte haar duidelijk moeite om haar buik, en het omgekeerde kommetje daarop, boven water te houden. Ik vroeg me af waarom ze niet gewoon ging staan. Langzaam kwam ze dichterbij; haar buik nog steeds boven water. Toen ze de kant raakte hees ze zichzelf omhoog en ging schrijlings op de rand zitten. Ze haalde haar hand van haar buik en meteen zag ik wat ze had beschermd. Waarom haar buik niet onder water mocht. Onder haar hand zat een lieveheersbeestje. Kleiner dan klein op die enorme buik. Voorzichtig pakte ze het beestje op en zette het op de kant. Ze blies een handkusje in de lucht.

“Goede reis verder,” fluisterde ze.