De Taxfreezone


De dagen vóór Kerst zijn altijd zo opgeklopt. Zo machtig en zoet, als stijfgeslagen room.

Vragen als: “Waar haal ik in godsnaam eekhoorntjesbroodpasta vandaan?” en “Waar heb ik ook alweer mijn fonduepannetje gelaten?” spoken continue door mijn hoofd. Ik loop op eieren en knijp mijn billen samen. Nog zoveel te doen, nog zo weinig tijd. De dagen voor Kerst voelen – heel paradoxaal – een beetje als een voorbereiding op een natuurramp. Als het straks zover is wil ik niet zonder eten/drinken/partner/gloeilampen/snuiftabak zitten. Je gaat de Albert Heijn in met gevaar voor eigen leven. Dol geworden scanapparaten vallen mensen aan en cranberry’s suizen door de lucht als bloederige projectielen. Je hebt al die tijd maar één gedachte: als de massa op hol slaat dan vallen er doden.

De dagen ná Kerst daarentegen, het schemergebied tussen Kerst en Nieuwjaar, die zijn superrelaxed. Er is nog genoeg eten over van Kerst, het korset kan weer uit en het duurt weer een jaar voordat je oom Herman weer moet zoenen. De dagen tussen Kerst en de jaarwisseling zijn mijn lievelingsdagen. Je bent als het ware voorbij de douane maar nog niet ingecheckt. Je bevindt je in niemandsland, in de taxfreezone. En weten allemaal hoe fijn het daar is, in de taxfreezone. See. Buy. Fly. Veel ruimte, comfortabele stoelen, koffie met een saucijzenbroodje, winkelen en rustig afwachten. De tijd tussen Kerst en Nieuwjaar is één langgerekte taxfreeperiode.

De dagen tussen Kerst en Nieuwjaar zijn wattige, slaperige en heerlijk rustige dagen waarin we ons voorbereiden op een spetterend Nieuwjaarsfeest. Feestelijke dagen waarin we alles uitstellen wat we kunnen uitstellen. Lijnen, stoppen met roken en winden laten onder de dekens. Het mag allemaal. We verpakken slechte gewoontes als goed voornemen, strik erom en klaar. Doorschuiven naar januari. En zo relaxen we het jaar uit. Op het werk – als we al werken – leunen we achterover, dat doet iedereen tenslotte. Er zijn geen files en om twee uur ’s middags mag je best een wijntje. Het enige vervelende aan de taxfreeperiode(maar dat is dan ook echt het enige!) is dat hij weer zo snel voorbij is.

Misschien kunnen het volgend jaar anders doen, dan draaien we het om. Kerst en Oud en Nieuw. Vieren we Kerst op 1 januari en Oud en Nieuw op 25/26 december. Op die manier hebben we een heel lange taxfreeperiode! We vieren Kerst in januari, hebben vervolgens een heerlijke taxfreeperiode die duurt tot eind december, geen belasting betalen en geen files, dan vijf daagjes hard werken en goede voornemens in praktijk brengen (vijf dagen moet te doen zijn) en dan beginnen we van voor af aan. Ik sla mezelf niet graag op de borst maar ik vind dit toch een briljant plan!

Alleen: hoe zoiets te regelen? Een brief naar Rutte? Naar de Paus? Naar de Koningin? Nou ja, eerst maar eens stemmen tellen op Vrouwonline. (En uitzoeken hoe je taxfreezone nou eigenlijk schrijft?!)

Wie doet mee?

Advertisements

Kerstfeest XL


Zo. Dat was een flinke Kerst!

Flink in de zin van: lang! En heel feestelijk. Met heel veel chocolademomenten en zoete kerstgedachten. Het begon allemaal eigenlijk al de dag vóór Kerst. Ga er maar even lekker voor zitten, haal die groene takken en de kaneellucht weer even terug naar het limbisch systeem en ‘luister’ naar mijn kerstverhaal.

Het begon allemaal op 24 december. Ik nam de Kletsen mee naar Het Zwanenmeer van Holland Opera alwaar de sneeuw die op het toneel dwarrelde ons direct in winterse sferen bracht. Eén van Liz haar vriendinnen danste mee en het was prachtig om te zien hoe alle zwaantjes over het ijs zwierden. Na de voorstelling fietsen we – door een enorme sneeuwstorm – terug naar ons warme en veilige huis. (Wat? Heeft het bij jullie niet gesneeuwd dan?) Helemaal koud en wit vielen we de keuken binnen. Als enorme sneeuwpoppen. Paul maakt snel warme chocomel voor ons.

‘s Avonds waren er lekkere hapjes (Kletzenbrood!) en een kerstfilm. Ik had van een vriendin ET te leen gekregen en dat leek me wel een aardige film voor Kerstavond. Ik kon me de film niet meer zo goed herinneren maar ik dacht wel te weten dat ET aan het einde terugging naar zijn ET-vriendjes op de ET-planeet. Halverwege de film wist ik dit echter niet meer zo zeker. Het leek er toch wel heel erg op dat ET dood zou gaan. Met trillende lipjes keken de meiden me aan.
“Hij gaat toch niet dood, mamma?”
“Nee-ee”.
Vertwijfeld keek ik naar Paul. Hij ging toch niet dood? Dat kon toch niet? ET ging toch niet dood op Kerstavond? Paul haalde zijn schouders op. Ik heb geen idee. Maar ET ging natuurlijk wel dood. En daarna werd hij weer levend (“een soort Jezus met Pasen”, merkte Annabel bijdehand op). Pfoe. Opgelucht. Gelukkig géén twee kerstdagen met jankende Kletsen doorbrengen omdat ET dood was.
Maar janken werd het toch wel. Aan het einde, toen ET terugging naar zijn ET-vriendjes stroomden de tranen over onze wangen. Bij de Kletsen, bij mij. Paul ontkende later, maar ik weet zeker dat hij ook ontroerd was.
De rest van de avond hebben de meiden met hun vinger in de lucht gelopen en “ET foon home” geroepen met een krakende alienstem en toen ik Annabel uiteindelijk in bed legde en zei: “Welterusten Belletje,” mompelde ze – al half in slaap- “Ben geen Belletje. Ben ET.”

Eerste Kerstdag begon heel stichtelijk. Ik had de kinderen omgekocht met een cadeautje onder de kerstboom zodat ze ons even zouden laten liggen. Liz was zo lief om alvast een pot kerstkoffie te zetten en Annabel smeerde een cracker. Voordat ik “Vrolijk kerstfeest” had kunnen roepen was de koffie over de rand op mijn witte sprei gegutst en lag de cracker ondersteboven op mijn kussen. Ik zei er niets van want het was Kerstmis en dan mag je je kinderen niet slaan.

Niet veel later zaten we in de auto onderweg naar mijn ouders. Ik sms’te een vriendin die net weer alleen was om haar extra veel sterkte en plezier te wensen en ik sms’te een vriendin die Kerst voor het eerst met haar nieuwe geliefde vierde. Kerst is voor iedereen en met Kerst denk ik aan iedereen. Althans, dat probeer ik. Heb ik jou niet ge-sms’t, gekaart, geappt, gemaild of gebeld? Sorry, ik was je nummer kwijt.
Bij mijn ouders was het reuze gezellig, echt heel kerstig! We speelden bingo met echte prijsjes (wat een groot succes was, niet alleen bij de kinderen) en we staken buiten de vuurkorf aan. Dat laatste was zo gezellig dat mijn moeder besloot het voorgerecht maar buiten te serveren waardoor ons kerstdiner ineens een soort walking diner werd. Het was heel ambachtelijk om daar zo in de kou, bij het vuur met elkaar de spijzen te delen.
“Beetje Jezus-in-de-koude-stal-idee,” zei ik en mijn vader deed er nog een schepje bovenop door op te merken dat mijn broer en ik “dan zeker de os en de ezel” waren. Ik heb hem even genegeerd maar toen hij met een magnumfles champagne aankwam besloot ik dat ik hem wel weer aardig vond. De kurk plopte van de fles en we waren gelukkig. En dan die sneeuw die almaar bleef vallen! Ongelooflijk! Ik hoopte dat we nog naar huis konden.
Na het kerstdiner deelde ik cristmascrackers uit aan de kinderen en gingen Paul en mijn broer weer naar buiten om hun eigen crackers af te steken. Die laatste waren illegaal en dat was te horen ook.

We reden naar huis toen het al laat was. Ik zat achterin met een paar half slapende Kletsen. De sneeuwkettingen om de auto knerpten romantisch door de sneeuw terwijl wij ondertussen om de beurt iets opnoemden waarvoor we dankbaar waren. Het leverde leuke uitspraken op.
“Ik ben dankbaar voor de wekker, anders kwam ik elke dag te laat op school.” (Liz)
“Ik ben dankbaar voor mijn bed want die ligt zo lekker.” (Annabel)
“Ik ben dankbaar voor de kleuren anders was de wereld zo saai” (Liz)
“Ik ben dankbaar voor mijn ogen anders zag ik niets!”(Annabel)

En ik? Ik was dankbaar voor álles die avond.

Op Tweede Kerstdag bezochten we Pauls ouders alwaar oma van achtennegentig (omi uit Bet-Haarlem) ook weer van de partij was, een kerstwonder op zich. We speelden ons familiekwartet, gaven elkaar een klein kerstcadeautje en vertelden elkaar wat we de eerste kerstdag gedaan hadden. Tussen de bedrijven door hadden we lol om mijn schoonvader die met Paul Valkuil ging spelen maar die helemaal niets van het spel begreep. Toen het spel uiteindelijk maar werd opgeborgen zag schoonvader dat er op de doos stond: “Van 7 tot 70 jaar” waarna hij opmerkte dat het niet raar was dat hij het spel niet meer begreep; hij was immers de 70 al gepasseerd.
’s Middags moesten we weer snel naar huis want er zou gegourmet worden met vriendin M. De Kletsen zagen er inmiddels niet meer uit want Annabel haar jurk was gescheurd van al het stoeien en Liz zat na alle kersthapjes onder de vlekken maar M. zei evengoed dat de kinderen er prachtig uitzagen, wat de kleine meisjes deed glimmen en giechelen. Daarna vroeg M. of ik was afgevallen – wat natuurlijk niet zo is – omdat er zo slank uitzag. Kijk, dat is ware vriendschap/kerstgedachte. Nu had ik wel weer ruimte voor een heerlijk gourmet!

Het werd wederom een feestelijke dag met een heerlijke avond. We speelden Party & Co, keken de wetenschapsquiz en dronken een exquise rode wijn. In het zwakke schijnsel van de straatlantaarns zag ik de witte vlokken nog immer vallen en de rode wijn was zo goed dat ik er de volgende dag niets van merkte en gewoon lekker rustig kon opstaan om naar mijn werk te gaan.

De sneeuw? Die was grappig genoeg vanochtend helemaal verdwenen.
Einde



Al het goede ….


De pastor heette “Van Boven”.

“Zou het zijn artiestennaam zijn?” fluisterde de moeder van Annabels geloofde in mijn oor. Ik moest echt mijn best doen om serene stilte van de kerk niet bruut te verstoren met een hysterische lach.

De meisjes zaten een paar kerkbanken voor me. Ze droegen hun mooiste kleren – Liz had zelfs voor het eerst mascara op – en ze zongen een lied over de stal, de os en de ezel. Telkens als ze het refrein ‘Kom eens kijken, kom erbij’ zongen kreeg ik een brok in mijn keel. Ik heb niets met het geloof maar zo’n kerstviering in de kerk is toch wel echt heel bijzonder. Je zou je kinderen er bijna voor naar een katholieke school doen.

De weg naar school terug was een pad vol lichtjes. Overal stonden glazen potjes met waxinelichtjes erin. Het was sprookjesachtig mooi. De kinderen gingen naar hun klas voor het ‘kerstdiner’ en wij, de ouders, dronken gluhwein in de aula. Buiten brandden de vuurkorven en iedereen praatte met elkaar.

Ik had voor de gelegenheid mijn – net nieuwe – kerstlaarzen aangetrokken en ik had aanspraak genoeg.
Waar ik die nou weer vandaan had.
Of ik er ook zo’n leuk pakje bij had
Of ik die ook wel eens in de zomer droeg
Waarom ik die nooit ‘gewoon’ naar school aan had.

Na de kerstviering liepen we met z’n vieren naar huis. Liz en Annabel vertelden wat ze allemaal gegeten hadden en Paul maakte grapjes over mijn laarzen (na de tweede gluhwein ging hij aan iedereen vertellen dat ik ze bij Cristine LeDuc had gekocht) en ik hield wijselijk mijn mond.

Thuis keken we de Disneyversie van Scrooge en toen ik uiteindelijk de kinderen naar bed bracht zuchtte Liz dat ze Kerst toch wel het fijnste feest van het jaar vond.
“Dat vind ik hoor,” zei ik.
“Wanneer gaat het sneeuwen?” vroeg Annabel.
“Als God het wil,” antwoordde ik stichtelijk.
“Dan moeten we het aan pastor Van Boven vragen,” zei Liz. “Die weet alles van God.”

En zo is het verhaaltje weer rond. De mooie kerkdienst, de sneeuw en de engelen, alles daalt op ons neer als God het wil en als je daarover iets wil weten vraag je het aan pastor Van Boven.

Die weet er alles van.
Immers, al het goede ….

Zomaar een vraag


Annabel en haar nieuwe vriendinnetje spelen samen met de playmobil.

Het is voor het eerst dat het meisje hier is komen spelen en ze hebben – op de grond, onder de kerstboom – een kerststal gemaakt. Daarnaast wordt gewerkt aan een dierentuin en een speelpark. De meisjes gaan helemaal op in hun spel en over alles wordt vergaderd.

“Hier komt de zweefmolen, de baby’s mogen er niet in.”
“Nee, die kunnen in het zwembad.”
“Is dat niet te koud nu?”
“Nee, hier is het zomer.”

Soms praat er ook een poppetje. Dan zegt één van de figuurtjes opeens dat hij wil slapen en dan wordt hij subiet door een van de twee meisjes in bed gestopt. Er is ook een poppetje dat straf heeft, die staat in de hoek.

Tuffy vindt het, net als ik, reuze gezellig in de woonkamer. Op geheel eigen wijze draagt hij bij aan de kerstsfeer door enthousiast Jingle Bells te fluiten. Hoe harder de meisjes gaan praten, hoe luidruchtiger de parkiet wordt. Uiteindelijk fluit hij aan één stuk door terwijl hij ondertussen wild rondfladdert.

Ik zie het vriendinnetje een beetje onrustig worden en ineens – Tuffy heeft net een flink schelle sonate gefloten – kijkt het meisje geïrriteerd op van haar spel. Ze was halverwege een zin en blijkbaar is ze ergens de draad kwijt geraakt. Eerst kijkt ze naar Tuffy en dan naar Annabel. En dan weer naar Tuffy.
“Annabel,” zegt ze streng. “Kan die vogel ook úit?!”

Ik droomde dat ik droomde


Om drie uur vannacht werd ik wakker.

Ik ging plassen, nam een slokje water en ik keek even uit het raam. Tot mijn verbazing was de hele wereld wit. Kleine vlokken dansten in het licht van de straatlantaarn en het boompje in de voortuin glinsterde zilverachtig.

Droomde ik? Kwam het door het boekje “The Night before Christmas” dat ik gisteravond wel vier keer aan de Kletsen had voorgelezen? Of had de tijd een sprongetje gemaakt en was het opeens kerstavond?
The moon on the breast of the new-fallen snow
Gave the lustre of mid-day to objects below,

Zoiets?

Ik keek naar naar die mooie, stille, witte wereld tot ik het koud kreeg. Snel kroop ik weer in bed alwaar ik direct weer in slaap viel. Ik droomde over kerstbomen, cadeautjes en vrede op aarde. Een paar uur later werd ik gewekt door het rauwe geluid van de wekker. De droom smolt en eindigde zoals hij was gekomen: op kousevoeten.

Ik zag het meteen toen ik mijn tanden ging poetsen. De witte wereld was weg. Er was geen sneeuw, er waren alleen druppels en jachtige parapluutjes. Het licht van de straatlantaarn scheen niet langer sprookjeachtig maar weerkaatste treurig in de plassen.
“Bah, wat een vies weer,” zei Paul toen we samen aan het ontbijt zaten.

“Vannacht sneeuwde het,” mijmerde ik. “Het was helemaal wit buiten. En het licht van de lantaarn scheen zo mooi op het boompje in de voortuin. Het was prachtig, net Kerstavond.”
“Nou,” zei Paul. “Dat zal je wel gedroomd hebben.”
Ik wierp een blik uit het raam, richting de trieste natte straat.
“Ja,” geeuwde ik. “Dat zal dan wel.”

Op dat moment wees Liz naar buiten, naar een hoekje tussen de schutting en de boom.
“Kijk!” zei ze verbaasd. “Daar ligt een hoopje sneeuw!”

NB
Op de blog van Maaike kan je meedoen met een leuke wedstrijd. Raad de leeftijd van de moeders van de bloggers (tezaam) en win een leuke prijs! Voor elke reactie doneert Maaike tien cent aan (de actie van) Serious Request